Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
08-745 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om kinderbijslag. Op de peildatum was er nog geen sprake van zodanige bindingen met Nederland, dat appellante toen alweer als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/745 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 december 2007, 06/998 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 22 januari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de Svb is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Appellante is bij die gelegenheid niet verschenen. De Svb heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, een voormalig docente die de Nederlandse nationaliteit heeft, heeft tussen 2001 en 2006 met haar dochter [naam dochter] in Portugal gewoond. Zij heeft daar gewerkt en een restaurant en toeristische accommodaties geëxploiteerd, waaruit zij haar inkomen verwierf. In het begin van het jaar in januari 2006 is zij wegens persoonlijke en zakelijke omstandigheden naar Nederland teruggekeerd, waar zij bij haar ouders in huis in [plaatsnaam] is gaan wonen. Haar minderjarige dochter is evenwel in Portugal achtergebleven om haar middelbare schoolopleiding af te ronden. Een aanvraag om kinderbijslag per het tweede kwartaal van 2006 is bij de beschikking op bezwaar van de Svb van 30 juni 2006, in overeenstemming met de primaire beslissing van 28 maart 2006, afgewezen. Op deze weigering heeft dit geding betrekking.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb zich terecht op op het standpunt heeft gesteld dat de sociale en economische binding van appellante op de peildatum in geding 1 april 2006 nog niet zodanig was dat, ondanks haar sterke juridische binding met Nederland, het middelpunt van haar maatschappelijk leven reeds in Nederland was gelegen.

3. Daarbij heeft de rechtbank - kort samengevat - onderschreven dat de economische binding met Nederland op de peildatum nog als zeer gering kon worden beoordeeld, gelet op het feit dat zij op dat moment afhankelijk was van de verhuur van haar restaurant in Portugal en een Portugese ziekengelduitkering. Verder bezat zij een aantal toeristische accommodaties waaruit zij inkomsten kon genereren. Voorts kon de rechtbank zich erin vinden dat op de peildatum de sociale binding met Nederland nog niet sterk was te noemen, omdat appellante op de peildatum nog geen drie maanden in Nederland verbleef na een meerjarig verblijf in Portugal. Daarnaast heeft de rechtbank in het licht gesteld dat haar dochter toen nog in Portugal verbleef en zijzelf, voor herstel van een burn out op doktersadvies naar Nederland gekomen, nog niet kon worden geacht zich hier te lande definitief te hebben gevestigd. Aan een en ander deed volgens de rechtbank niet af dat appellante door erfrecht (haar vader was in maart 2006 overleden) mede-eigenaar van de woning van haar moeder was geworden.

4. Appellante heeft in hoger beroep benadrukt dat zij om medische redenen naar Nederland is teruggekeerd en dat zij sociaal en financieel per 1 april 2006 afhankelijk is van Nederland, omdat zij van de huuropbrengsten van het bedrijfspand in Portugal en van een kleine Portugese ziekengelduitkering benevens van een bankkrediet moest leven.

Zij meent hier wel een zelfstandige woonruimte te hebben, nu niettegenstaande het vruchtgebruik van de woning ten gunste van haar moeder na het overlijden van haar vader, die woning door vier kinderen is geerfd. Zij meent dat de aangevallen uitspraak op een misverstand berust en acht het onjuist dat zij kinderbijslag voor een aantal kwartalen zou missen.

5. De Raad oordeelt evenwel op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, in overeenstemming met de zienswijze van de rechtbank en de Svb, dat op de geding zijnde peildatum 1 april 2006 nog niet gezegd kan worden dat de bindingen van appellante met Nederland dusdanig waren, met toepassing van de artikelen 2,3 en 6 van de Akw en vaste rechtspraak ter zake, dat zij toen alweer als ingezetene van Nederland kon worden beschouwd. Hij overweegt daartoe als volgt.

6. Appellante heeft op grond van welbewuste, doelgerichte keuzes een niet gering te schatten aantal jaren geleefd, gewoond en gewerkt in Portugal. Haar sociale en economische bindingen lagen daardoor overwegend elders en waren zeker nog niet geslecht, nadat op 1 april 2006 nog geen kwartaal verstreken was na haar terugkeer in Nederland begin 2006. Sociaal bezien was appellante, die bezig was psychische problemen te overwinnen, nog niet aan de definitieve keuze voor hernieuwde vestiging hier te lande toegekomen. Haar dochter was bezig haar schoolopleiding af te maken in Portugal. Economisch bezien, moest zij het nog hebben van inkomsten uit bedrijf en woning in Portugal benevens van een Portugese ziekengelduitkering. De woning in Nederland waarvan haar moeder het vruchtgebruik behield, kon destijds bezwaarlijk als zelfstandige woonruimte van appellante worden beschouwd. Een en ander voert de Raad, niettegenstaande het feit dat appellante door haar Nederlandse nationaliteit een sterke juridische band met Nederland had, tot de slotsom dat haar sociale en economische bindingen op 1 april 2006 nog dusdanig zwak waren, dat toen niet direct het middelpunt van haar maatschappelijk leven naar Nederland was verplaatst. Dat appellante hierdoor een aantal kwartalen noch in Portugal noch in Nederland kinderbijslag zal (hebben) ontvangen maakt dit, hoe betreurenswaardig als zodanig voor appellante onder de gegeven persoonlijke omstandigheden ook, naar het oordeel van de Raad zeker niet anders. Daarbij is de Raad, anders dan appellante meent, niet gebleken van een doeltreffend beargumenteerd, concreet aangegeven motiveringsgebrek, laat staan enig relevant misverstand waaraan de aangevallen uitspraak van de rechtbank zou lijden.

7. De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen- Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303,

2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene.

RB