Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
08-1368 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Privaatrechtelijke dienstbetrekking voor artsen die in een kliniek voor cosmetische chirurgie en gezichtsverjonging werkzaam zijn. Gezagsverhouding. Van een eigen praktijk binnen de kliniek, een praktijkvoering op eigen naam, met eigen facturering, eigen investeringen, eigen goodwill-opbouw, kortom van werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep is, naar uit de stukken blijkt, geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2009/64 met annotatie van mr. H. Uhlenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1368 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 januari 2008, 06/2877 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft L. van den Heuvel, werkzaam bij Robidus Adviesgroep BV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Voor appellante zijn verschenen L. van den Heuvel, voornoemd, [L.], controller, en [U.], secretaris van de vereniging Zelfstandige Klinieken in Nederland (ZKN). Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.R.H. Min, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de sociale werknemersverzekeringswetten, zoals die ten tijde hier van belang luidden.

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

1.2. Appellante exploiteert een kliniek voor cosmetische chirurgie en gezichtsverjonging. Naar aanleiding van een in november en december 2003 gehouden looncontrole heeft het Uwv bij primair besluit van 7 oktober 2004 geconcludeerd dat de voor appellante werkzame artsen [T.], [N.], [T.] en [v. D.] werkzaam zijn in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten en dat ten aanzien van mevrouw [v. D.] subsidiair de arbeidsverhouding gelijk gesteld kan worden met een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 5 van de genoemde wetten.

1.3. Bij besluit van 22 maart 2005 zijn de bezwaren daartegen ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. Partijen worden in hoger beroep verdeeld gehouden over de vraag of de voor appellante in haar kliniek werkzame artsen werkzaam zijn in een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

4.1. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de werkzaamheden van de artsen een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van appellante en dat de doelstelling van appellante wordt gerealiseerd door de inzet van hun werkzaamheden. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat de artsen binnen de kliniek werken, dat appellante de benodigde administratie voert en de ruimte, de apparatuur, de genees- en verbandmiddelen en verpleegkundige artikelen ter beschikking stelt en derhalve het organisatorische kader schept waarbinnen de artsen werkzaam zijn. Voorts heeft de rechtbank van belang geacht dat de artsen, gelet op artikel 9 van de met een aantal van hen gesloten “Toelatingsovereenkomst”, gevrijwaard zijn tegen aansprakelijkheid die verband houdt met hun werkzaamheden, zodat in feite appellante financieel verantwoordelijk is voor de werkzaamheden van de artsen.

De rechtbank heeft het voorts, gelet op het feit dat de cliënten na hun behandeling een enquêteformulier invullen dat vervolgens wordt besproken met de desbetreffende arts en gelet tevens op het feit dat [T.] fungeert als [functie] en dientengevolge verantwoordelijk is voor de medische processen, niet aannemelijk geacht dat de artsen niet gehouden zouden zijn aanwijzingen van appellante op te volgen. Dat in de praktijk weinig aanwijzingen worden gegeven is inherent aan de inhoud van het werk.

De rechtbank is eveneens van oordeel dat er sprake is van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting. Vervanging is weliswaar mogelijk, maar slechts met schriftelijke toestemming van appellante. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de betaling door appellante aan de artsen per verrichting aangemerkt dient te worden als betaling van loon.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. Ook de Raad is van oordeel dat de gedingstukken voldoende grond bieden voor het oordeel dat de artsen werkzaam zijn in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, met inbegrip van de daaraan verbonden gezagsverhouding. De Raad acht daarbij van belang dat het de kliniek is die het organisatorisch kader biedt voor de werkzaamheden van de artsen en die de afspraken maakt voor de dagdelen dat de artsen zich voor werkzaamheden in de kliniek beschikbaar hebben gesteld. Voorts blijkt uit de stukken dat [T.] de functie van [functie] vervult, zodat niet alleen formeel maar ook feitelijk vakinhoudelijke sturing mogelijk is.

4.3. Van een eigen praktijk binnen de kliniek, een praktijkvoering op eigen naam, met eigen facturering, eigen investeringen, eigen goodwill-opbouw, kortom van werkzaamheden in de zelfstandige uitoefening van een beroep is, naar uit de stukken blijkt, geen sprake.

4.4. De hiervoor door de Raad aangenomen privaatrechtelijke dienstbetrekking krijgt te meer reliëf tegen de achtergrond van hetgeen de heer [U.], in zijn hoedanigheid van secretaris van de vereniging ZKN als getuige-deskundige, op de zitting heeft verklaard omtrent de richtlijnen en protocollen, welke onder meer gericht zijn op de hygiëne in een kliniek, van de branchevereniging waaraan een kliniek moet voldoen om in het bezit te komen en te blijven van een door de branche uitgegeven keurmerk. Het keurmerk kan worden ingetrokken indien de voorschriften worden overtreden en dan is de kliniek vervolgens geen lid meer van de branchevereniging. Het is om die redenen appellante die er - zelf of via haar medische leider - op dient toe te zien dat de werkwijze van alle personeelsleden zodanig is dat het verleende keurmerk niet in gevaar komt en die daarom zonodig ook aan de artsen aanwijzingen kan en zal geven. Dat ook vanuit de beroepsgroep eisen worden gesteld aan de beroepsuitoefening door de artsen doet aan deze conclusie geen afbreuk.

4.5. Het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet. De Raad kan appellante volgen in haar mening dat de (vraagstelling in de) vragenlijsten, welke gericht zijn op het al dan niet vaststellen van verzekeringsplicht, wat objectiever hadden mogen zijn.

Dit neemt echter niet weg dat de op basis van de ingevulde vragenlijsten geconstateerde feiten en omstandigheden corresponderen met de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor in de rubrieken 4.1 tot en met 4.4 zijn vastgesteld.

4.6. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel treft ten slotte eveneens geen doel. Ter zitting van de Raad is door de heer [U.], desgevraagd, meegedeeld dat er in Nederland zo’n 240 zelfstandig opererende particuliere klinieken zijn en dat een derde daarvan is aangesloten bij ZKN. De stelling dat appellante de enige kliniek is waarbij voor de artsen verzekeringsplicht is aangenomen is niet onderbouwd. Appellante heeft niet kunnen aantonen dat bij andere klinieken in het verleden een verzekeringsplichtonderzoek is verricht en dat daarbij geen verzekeringsplicht is aangenomen. De Raad heeft daarom geen grond te veronderstellen dat het Uwv zich in aandienende gevallen het bestaan van verzekeringsplicht niet gelijkelijk zal toetsen en behandelen.

4.7. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.

RB