Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH2018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
06-3486WAO+06-3986WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dubbel hoger beroep. Ten aanzien van betrokkene vastgestelde FML geeft geen onjuiste weergave van betrokkenes belastbaarheid. (Collectieve) herbeoordeling; verlaging leeftijdsgrens. Functie brugwachter wordt in medisch opzicht geschikt geacht. CBBS: nadere motivering in hoger beroep. Vernietiging van de aangevallen uitspraak waarin is bepaald dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen. In stand laten rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3486 WAO + 06/3986 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

1. [betrokkene] (hierna: betrokkene), en

2. de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 1 juni 2006, 05/2969 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het Uwv.

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene, namens deze mr. P.J. van ’t Hoff, en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld. Beide partijen hebben het door hen ingediende hoger beroepschrift met nadere stukken aangevuld en, onder meer met een verweerschrift, gereageerd op door de tegenpartij ingebrachte stukken.

De gedingen zijn gevoegd en ter behandeling aan de orde gesteld op 17 december 2008, waar partijen - betrokkene met bericht vooraf - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, geboren op 11 mei 1955, is wegens psychische klachten op 18 februari 2002 uitgevallen voor zijn werk als systeembeheerder. Het Uwv heeft aan betrokkene met ingang van 17 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Deze uitkering is met ingang van 24 februari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 17 februari 2005 heeft het Uwv bepaald dat betrokkenes WAO-uitkering met ingang van 18 april 2005 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 17 februari 2005 is bij besluit van 18 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) door het Uwv ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Met betrekking tot de medische kant van de onderhavige besluitvorming, zag zij, gelet op de (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige rapportages van 5 januari 2005, 17 juni 2005 en 27 oktober 2005, geen aanleiding de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van betrokkene per 18 april 2005 voor onjuist te houden en oordeelde zij genoegzaam gemotiveerd waarom er op de in geding zijnde datum geen reden meer is voor een urenbeperking. De arbeidskundige grondslag van de onderhavige besluitvorming ontmoette evenwel bedenkingen bij de rechtbank omdat bij het bestreden besluit gebruik is gemaakt van het naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 9 november 2004, onder meer LJN AR4716 en AR4717, aangepaste Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en het aangepaste CBBS naar haar oordeel nog steeds niet in alle gevallen en voor alle betrokkenen een voldoende inzichtelijke en eenduidige besluitvorming oplevert. De reden daarvoor zag de rechtbank gelegen in het feit dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige in bepaalde gevallen zelfstandig een met een ‘M’ (motivering vereist) aangegeven signalering mag omzetten in een ‘G’ (motivering niet vereist). Nu ook bij de in het kader van de onderhavige schatting geduide functies signaleringen voorkomen waarbij een ‘G’ is vermeld, is niet zonder meer duidelijk waarom de belasting in de desbetreffende functies de belastbaarheid van betrokkene niet overschrijdt. Om deze reden heeft de rechtbank het bestreden besluit in strijd geoordeeld met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1. In hoger beroep heeft betrokkene zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarnaast heeft betrokkene aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het met ingang van 1 oktober 2004 van kracht zijnde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, in welk verband betrokkene zich heeft beroepen op een afspraak terzake in het Regeerakkoord (kabinet Balkenende IV, 2007). Tot slot heeft betrokkene gesteld dat de onderhavige schatting geen stand kan houden omdat de belasting in de aan hem geduide functie van brugwachter (SBC 282170) zijn belastbaarheid te boven gaat en, als die functie vervalt, er onvoldoende functies resteren om de schatting te kunnen dragen.

3.2. Het hoger beroep van het Uwv is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Het Uwv heeft zich daarbij aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de belasting in de geduide functies de belastbaarheid van betrokkene niet te boven gaat. Op een later moment in de procedure heeft het Uwv, gelet op de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006, LJN AY9971, AY9973, AY9974, AY9976 en AY9980, het door hem ingenomen standpunt gewijzigd en, onder overlegging van nadere arbeidskundige rapportages, gesteld dat alsnog voldoende inzichtelijk en eenduidig is gemaakt dat de geduide functies op juiste gronden aan betrokkene zijn geduid.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.1. Betrokkene heeft met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, dat ten onrechte geen urenbeperking meer is aangenomen en dat de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op een aantal aspecten (betreffende sociaal functioneren, tocht en tillen) onjuist is te achten.

4.1.2. De Raad kan betrokkene in dit betoog niet volgen. In hetgeen door betrokkene terzake is aangevoerd, ziet de Raad onvoldoende grond voor het oordeel dat de ten aanzien van betrokkene vastgestelde FML een onjuiste weergave geeft van betrokkenes belastbaarheid. Met de rechtbank ziet de Raad in de hiervoor onder 2 bedoelde (bezwaar)verzekeringsgeneeskundige rapportages genoegzaam steun voor het oordeel dat betrokkenes belastbaarheid bij het bestreden besluit niet is overschat. Hij wijst er daartoe op dat de arts N.M.M. Kummeling, blijkens diens rapportage van 5 januari 2005, zich heeft gebaseerd op in het dossier aanwezige medische gegevens, een eigen psychodiagnostisch onderzoek, alsmede op in overleg met betrokkene opgevraagde medische informatie van de huisarts van betrokkene. Voorts wijst de Raad op de rapportage van 27 oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsarts P. Bavelaar, waarin genoegzaam aannemelijk is toegelicht dat er ten aanzien van betrokkene geen sprake is van de afwezigheid van duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden.

4.1.3. Ook de stelling van betrokkene dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het aangepaste Schattingsbesluit 2004 kan naar het oordeel van de Raad niet slagen.

(a) Bij Besluit van 18 augustus 2004, Stb. 2004, 434, is het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten met ingang van 1 oktober 2004 gewijzigd. Op 1 oktober 2004 is tevens de Wet wijziging systematiek herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten in werking getreden. Bij deze wet is bepaald dat uitkeringsgerechtigden die, zoals betrokkene, zijn geboren na 1 juli 1949 worden herbeoordeeld aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten zoals dat met ingang van 1 oktober 2004 van kracht was (hierna: het aangepaste Schattingsbesluit). Deze wet heeft geleid tot een eenmalige collectieve herbeoordeling, in welk kader ook betrokkene is herbeoordeeld onder toepassing van het aangepaste Schattingsbesluit. Deze herbeoordeling heeft geleid tot het besluit van het Uwv van 17 februari 2005, welk besluit in bezwaar bij het bestreden besluit is gehandhaafd. De stelling dat bij het bestreden besluit ten onrechte toepassing is gegeven aan het aangepaste Schattingsbesluit, gelet op betrokkenes leeftijd op de in geding zijnde datum 18 april 2005 en op artikel 12a, eerste lid, van het aangepaste Schattingsbesluit, acht de Raad derhalve onjuist.

(b) In het aangepaste Schattingsbesluit was - voor zover hier van belang - bepaald dat dit besluit niet geldt voor arbeidsongeschikten die recht op een uitkering met ingangsdatum voor het moment van inwerkingtreding van dit besluit hebben en die geboren zijn voor of op 1 juli 1949. Op hen bleef het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten van toepassing, zoals dat van kracht was voor 1 oktober 2004 (hierna: het oude Schattingsbesluit). Deze uitzondering is blijkens de nota van toelichting gemaakt in verband met de wens om deze groep arbeidsongeschikten te ontzien in verband met hun leeftijd en arbeidsmarktkansen. Nadien is bij Wet van 1 december 2005 (Stb. 2005, 624), houdende wijziging van de arbeidsongeschiktheidswetten in verband met verlaging van de leertijdsgrens voor de eenmalige herbeoordelingen, de maximumleeftijdgrens van degenen die bij de herbeoordelingsoperatie worden betrokken met 5 jaar verlaagd, zodat arbeidsongeschikten geboren in de periode van 2 juli 1949 tot en met 1 juli 1954, ook zijn uitgezonderd van de eenmalige herbeoordeling.

(c) Ter ondersteuning van zijn stelling dat op hem, omdat hij op 11 mei 1955, dat wil zeggen: voor 1 juli 1959, is geboren, het oude Schattingsbesluit van toepassing is te achten, heeft betrokkene gewezen op de afspraak terzake in het Regeerakkoord (Balkenende IV, 2007). Ook hierin ziet de Raad - nog daargelaten het hierna onder 4.1.3(d) overwogene - geen grond om zich achter de stelling van betrokkene te scharen. In dit verband merkt de Raad op dat artikel 12a, eerste lid, van het aangepaste Schattingsbesluit weliswaar naar aanleiding van bedoelde afspraak in het Regeerakkoord bij Besluit van 29 augustus 2007, Stb. 434, in die zin is aangepast dat het oude Schattingsbesluit ook van toepassing blijft op een recht op uitkering met een ingangsdatum voor of op 1 oktober 2004 indien een betrokkene voor of op 1 juli 1959 is geboren, maar wijst hij erop dat, naar uit artikel 34, vijfde lid, van de WAO volgt, deze wijziging geen verdergaande terugwerkende kracht heeft dan tot en met 22 februari 2007.

(d) Voorts is de Raad van oordeel dat de grief van betrokkene dat de afspraak in het Regeerakkoord door de wetgever niet op juiste wijze is neergelegd in de naar aanleiding van die afspraak aangepaste regelgeving, niet kan slagen omdat uit die afspraak voor betrokkene geen rechtens afdwingbare aanspraken zijn voortgevloeid. Voorzover betrokkene bedoelt te stellen dat artikel 12a, eerste lid, van het aangepaste Schattingsbesluit in strijd is te achten met een ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, nu daarin de omvang van de groep van 45 tot 50 jarigen is beperkt tot hen die op of na 22 februari 2007 worden gekeurd, overweegt de Raad dat van een dergelijke strijd geen sprake is.

(e) Voor zover betrokkene moet worden geacht te hebben gesteld dat sprake is van een ongeoorloofd onderscheid in behandeling binnen de groep van verzekerden die na 2 juli 1954 en voor 1 juli 1959 zijn geboren, de groep van 45 tot 50-jarigen, dan wel dat de cohortsgewijze herbeoordeling in strijd is met het in internationale verdragen verankerde gelijkheidsbeginsel, verwijst de Raad naar het door hem terzake gegeven oordeel in zijn uitspraak van heden, 07/968 WAO, LJN BH0312.

4.1.4. De stelling van betrokkene dat de belasting in de aan hem geduide functie van brugwachter op de door hem genoemde aspecten zijn belastbaarheid te boven gaat, acht de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt, gelet op de door het Uwv in hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapportages, waarmee het naar het oordeel van de Raad genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat de aan betrokkene geduide functies, waaronder die van brugwachter, in medisch opzicht voor betrokkene geschikt zijn.

4.1.5. Op grond van hetgeen hij onder 4.1 heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van betrokkene niet kan slagen.

4.2. In hetgeen het Uwv in het kader van het door hem ingediende hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad - in overeenstemming met hetgeen hij hiervoor onder 4.1.4 heeft overwogen - genoegzaam toegelicht en onderbouwd dat de aan betrokkene geduide functies voor deze in medisch opzicht geschikt zijn en derhalve de bij het bestreden besluit gehandhaafde schatting kunnen dragen. De Raad ziet hierin aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen en om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bij de aangevallen uitspraak vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG