Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
10-02-2009
Zaaknummer
08-901 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is indicatiestelling in redelijkheid bepaald op klasse 2 voor het verrichten van zwaar huishoudelijk werk? Geen beoordelingsvrijheid bij de uitleg van de algemeen verbindende voorschriften die op (het nemen van) een indicatiebesluit van toepassing zijn. Geen plaats voor terughoudende toetsing. Rechtbank heeft door redelijkheidstoets een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd. Vernietiging aangevallen uitspraak. Leefeenheid verantwoordelijk voor functioneren huishouding. Herverdeling taken, tenzij dreigende overbelasting huisgenoot. Beleid dat afwezigheid huisgenoot alleen onder strikte voorwaarden reden vormt om urenindicatie te verhogen, is te beperkend van aard. In dit geval toch terecht geen rekening gehouden met afwezigheid huisgenoot. Uit gegevens blijkt dat betrokkene zelf boodschappen doet en in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Voor zwaar huishoudelijk werk in klasse 2 geïndiceerd, conform de normtijd. Geen bijzondere omstandigheden een hogere klasse te indiceren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2009, 55
RSV 2009/113 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/901 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2007, 07/1427 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, gevestigd te Driebergen, (hierna: CIZ)

Datum uitspraak: 6 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/6763 AWBZ, plaatsgevonden op

25 november 2008. Appellant is - met bericht - niet verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.I. Algoe en

A.Y. Steggerda, beiden werkzaam bij CIZ. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In het geding met reg.nr. 06/6763 AWBZ wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is bekend met meerdere lichamelijke aandoeningen als gevolg waarvan hij beperkingen ondervindt. In verband met deze beperkingen heeft CIZ bij besluit van 7 april 2005 appellant met toepassing van het bepaalde in en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ) geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging, klasse 3 (4 tot 6,9 uur per week), over de periode van 7 april 2005 tot 7 april 2006.

1.2. Op 6 april 2006 heeft appellant bij CIZ een aanvraag ingediend om uitbreiding van het aantal toegekende uren voor huishoudelijke verzorging. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft CIZ appellant bij besluit van 16 mei 2006 meegedeeld, dat appellant hulp nodig heeft bij de zware huishoudelijke taken, maar dat hij niet in aanmerking komt voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging. Hierbij heeft CIZ onder meer overwogen dat de leefeenheid van een zorgvrager altijd primair verantwoordelijk blijft voor het functioneren van het huishouden. Appellant voert een gezamenlijke huishouding met

[naam partner] (hierna: [naam partner]) en diens minderjarige zoon [naam zoon]. [naam partner] is gezond en is in staat om voltijds te werken. Er zijn geen medische gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat [naam partner] beperkingen heeft. Met de fysieke afwezigheid van [naam partner] als gevolg van zijn werk is, onder verwijzing naar paragraaf 3.3 en paragraaf 4.1.2 van het protocol Gebruikelijke Zorg (hierna: PGZ), geen rekening gehouden.

1.3. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 16 mei 2006 gemaakte bezwaar heeft CIZ-arts G.E.M. van der Meer op

14 december 2006 een medisch advies over [naam partner] uitgebracht. In dit advies, dat tot stand is gekomen na dossierstudie en na een spreekuurbezoek, is geconcludeerd dat [naam partner] als gevolg van beperkingen in zijn rechterschouder beperkt is in het verrichten van zware huishoudelijke werkzaamheden.

1.4. Bij besluit van 13 maart 2007 heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 16 mei 2006 gegrond verklaard en is appellant over de periode van 16 mei 2006 tot en met 16 mei 2009 geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging, klasse 2 (2 tot 3,9 uur per week).

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 13 mei 2007 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft CIZ de indicatiestelling in redelijkheid kunnen bepalen op klasse 2 voor het verrichten van zwaar huishoudelijk werk.

3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd, dat hij hulp nodig heeft bij het doen van boodschappen, dat vanwege zijn allergie voor huisstofmijt op grond van het protocol Indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging (hierna: PHV) een extra klasse moet worden geïndiceerd, dat ten onrechte enkel met de afwezigheid van de partner rekening wordt gehouden indien deze zeven dagen per week 24 uur aaneengesloten afwezig is, en dat [naam partner] als gevolg van zijn drukke praktijk lange werkdagen maakt. Ten slotte is verzocht om CIZ te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 28 november 2007 (LJN BB9311) heeft overwogen komt aan CIZ geen beoordelingsvrijheid toe bij de uitleg van de algemeen verbindende voorschriften die op (het nemen van) een indicatiebesluit van toepassing zijn. Noch de tekst van die algemeen verbindende voorschriften noch de aard van de door CIZ uit te oefenen bevoegdheid geeft daartoe aanleiding. Dit betekent dat de bestuursrechter de uitleg die CIZ aan de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften geeft, vol dient te toetsen en zo nodig zijn uitleg in de plaats dient te stellen van die van het indicatieorgaan. Voor een marginale of terughoudende toetsing is derhalve geen plaats. Dit betekent dat de rechtbank, door zich in de aangevallen uitspraak te beperken tot de vraag of CIZ de indicatiestelling in redelijkheid op klasse 2 heeft kunnen bepalen, een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.

4.2.1. Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ voorzien burgemeester en wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

4.2.2. Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

4.2.3. Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in artikel 3 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit).

4.2.4. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit heeft de verzekerde aanspraak op huishoudelijke verzorging als omschreven in artikel 3 van het Besluit, behoudens voor zover het zorg betreft die kan worden bekostigd op grond van een andere wettelijke regeling.

4.2.5. Op grond van artikel 3 van het Besluit omvat huishoudelijke verzorging het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, te verlenen door een instelling.

4.2.6. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit bestaat de aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.

4.3.1. Ter nadere invulling van de begrippen “doelmatige zorgverlening” en “redelijkerwijs aangewezen zijn” in artikel 2, tweede lid, van het Besluit heeft CIZ beleid ontwikkeld, dat onder meer is neergelegd in het PGZ en het PHV.

4.3.2. In paragraaf 4.1.2 van het PGZ is het beleid neergelegd dat de leefeenheid van een zorgvrager die een beroep doet op de AWBZ altijd primair verantwoordelijk blijft voor het functioneren van het huishouden. Dat betekent dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid.

4.3.3. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 mei 2007 (LJN: BA6428) heeft overwogen is dit beleid niet in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel, voor zover het inhoudt dat van een gezonde volwassen huisgenoot wordt verwacht dat hij de huishoudelijke taken van de verzekerde overneemt, tenzij er redenen zijn die daaraan in de weg staan zoals - bijvoorbeeld - dreigende overbelasting van die huisgenoot.

4.4. In paragraaf 3.3 van het PGZ is het beleid neergelegd dat, indien de huisgenoot van de zorgvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is, hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening wordt gehouden wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van een huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden geleverd.

4.5. De Raad is van oordeel dat het onder 4.4 weergegeven beleid te beperkend van aard is. Als gevolg van dit beleid zou een verzekerde, van wie de huisgenoot vanwege het verplichtende karakter van zijn werk gedurende een kortere periode dan zeven aaneengesloten etmalen afwezig is, maar die overigens voldoet aan de voorwaarden om voor AWBZ-zorg in aanmerking te komen, behoudens bijzondere omstandigheden niet in aanmerking komen voor die zorg. Daarbij wordt ten onrechte voorbijgegaan aan de vraag of de huisgenoot feitelijk kan voorzien in het verlenen van die zorg. Naar het oordeel van de Raad biedt artikel 2, tweede lid, van het Besluit geen grondslag voor een zodanige inperking van de aanspraak op AWBZ-zorg. Niet gezegd kan worden dat de verzekerde in de hiervoor omschreven situatie, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, niet redelijkerwijs op die zorg zou zijn aangewezen. Aangezien ook overigens in het bepaalde in en krachtens de AWBZ geen aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor een dergelijke inperking van de aanspraak op AWBZ-zorg, dient het in paragraaf 3.3 van het PGZ vervatte beleid, voor zover daarin is opgenomen dat alleen met de fysieke afwezigheid van de huisgenoot rekening wordt gehouden als het om een aaneengesloten periode van ten minste zeven etmalen gaat, wegens strijd met de AWBZ buiten toepassing te worden gelaten.

4.6. Het onder 4.5 overwogene laat onverlet dat CIZ in het onderhavige geval terecht geen rekening heeft gehouden met de fysieke afwezigheid van [naam partner]. Niet gebleken is van een noodzaak voor [naam partner] om ten behoeve van zijn praktijk niet-reguliere werktijden aan te houden en lange werkdagen te maken, terwijl evenmin is vast komen te staan dat [naam partner] als gevolg van zijn werk verplicht is om drie avonden in de week in Amsterdam te overnachten.

4.7. Naar aanleiding van de grond dat appellant hulp nodig heeft bij het doen van boodschappen, overweegt de Raad dat uit de gedingstukken naar voren is gekomen dat appellant zelf met behulp van zijn fiets boodschappen doet, zodat CIZ terecht geen zorg heeft geïndiceerd ten behoeve van het doen van boodschappen. Nu voorts uit de gedingstukken niet is gebleken dat appellant en [naam partner] niet in staat zijn om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, heeft CIZ terecht alleen zorg geïndiceerd ten behoeve van het zwaar huishoudelijk werk.

4.8. In hoofdstuk 4 van het PHV is een tijdsnormering neergelegd voor diverse huishoudelijke taken. Voor zwaar huishoudelijk werk bij een tweepersoonshuishouden in een woning met drie kamers of meer is klasse 2 (180 minuten per week) geïndiceerd. Ophoging van de normtijden is mogelijk indien sprake is van grote woningen met een hoge bezettingsgraad, vervuilingsgraad, COPD-problematiek (in gesaneerde woning) of de aanwezigheid van jonge kinderen. De Raad acht het PHV in zoverre niet in strijd met het bepaalde bij en krachtens de AWBZ.

4.9. In het onderhavige geval heeft CIZ ten behoeve van het zwaar huishoudelijk werk in overeenstemming met het PHV klasse 2 geïndiceerd. De Raad is niet gebleken van omstandigheden die tot een hogere klasse zouden moeten leiden. In dat verband overweegt de Raad dat niet gesteld noch gebleken is dat de woning van appellant ten tijde in geding was gesaneerd.

4.10. Uit het onder 4.6 tot en met 4.9 overwogene vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond is. Dit betekent dat voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte is. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

4.11. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 maart 2007 ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Bepaalt dat CIZ aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) A. Badermann.

IA