Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1936

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-4500 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bankrekening staat niet op naam van dochter(s) van appellante. Tijdvak overschrijding vermogensgrens: het besluit tot intrekking kan niet geheel in stand blijven. Opdracht tot het nemen van een nieuw besluit. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4500 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank van Zwolle-Lelystad, van 26 juni 2007 07/293 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.G. Metselaar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Metselaar. Voorts was aanwezig H. van Buijtenen, tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 21 december 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van enkele zeer gedetailleerde anonieme meldingen, inhoudende dat appellante beschikt over vermogen en tevens een gezamenlijke huishouding voert met J.H. [S.] (hierna: [S.]), heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is een administratief onderzoek ingesteld, zijn naar aanleiding van een rechtshulpverzoek onder meer bankgegevens ontvangen en zijn appellante en [S.] gehoord.

1.3. Op verzoek van appellante is bij besluit van 7 september 2006 de bijstand met ingang van 1 juni 2006 beëindigd.

1.4. De resultaten van het onderzoek door de sociale recherche waren voor het College aanleiding om bij besluit van

10 oktober 2006 de bijstand over de periode van 21 december 2001 tot en met 31 mei 2006 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken op de grond dat appellante gedurende die periode beschikte over vermogen hoger dan het voor haar geldende vrij te laten vermogen en dat appellante vanaf 1 januari 2005 een gezamenlijke huishouding voert met [S.] zonder dat appellante van het vermogen en de gezamenlijke huishouding aan het College melding heeft gemaakt. Het College heeft voorts besloten de over de genoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 50.680,86 van appellante terug te vorderen.

1.5. Bij besluit van 10 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft daartoe overwogen dat appellante op 17 maart 2000 bij [naam Bank] te [naam land] op haar naam een rekening had met een tegoed van US $ 74.153,49. Op 29 september 2000 bedroeg het saldo US $ 50.000,-- en op 8 mei 2006 een bedrag van US $ 132.707,88, welk bedrag op die datum is overgemaakt naar een rekening van haar dochter [naam dochter] Het College heeft overwogen dat enkel het aanwezige vermogen voldoende grond is om tot herziening (lees: intrekking) en terugvordering over te gaan over de in geding zijnde periode. De vraag of en wanneer appellante een gezamenlijke huishouding voert met [S.] behoeft, zo heeft het College verder overwogen, niet meer te worden beantwoord.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat appellante vanaf de aanvang van de bijstand op 21 december 2001 een - uitsluitend - op haar naam staande rekening had bij [naam Bank] te [naam land]. Het tegoed op die rekening overschreed de grens van het vrij te laten vermogen. Ook staat vast dat appellante van het bestaan van die rekening aan het College geen melding heeft gemaakt. Derhalve is sprake van schending van de op appellante rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Appellante heeft aangevoerd dat daarvan geen sprake is omdat die rekening weliswaar op haar naam stond, maar dat het tegoed toebehoorde aan haar dochter [naam dochter 2].

4.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak (waarin appellante is aangeduid als eiseres) het volgende overwogen:

“Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (waaronder CRvB 11 januari 2005, 03/528 JWWB 2005, 114) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam van een uitkeringsgerechtigde een tegoed bevat, de veronderstelling dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijze kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de belanghebbende om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Gelet op hetgeen vermeld is in het rapport van de sociale recherche, heeft eiseres op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat het vermogen op haar bankrekening bij [naam Bank] niet van haarzelf maar van haar dochter is.

De “beheersovereenkomst” uit 1991, waarop de gemachtigde van eiseres zich heeft beroepen om aan te tonen dat het geld niet van eiseres doch van haar dochter, overtuigt de rechtbank niet. Ook sedert het verhoor door de sociale recherche heeft eiseres geen overtuigende stukken geproduceerd waaruit zou blijken dat het geld haar niet toebehoorde en dat zij slechts namens haar dochter het geld beheerde. Aangezien het vermogen op de bankrekening bij de [naam Bank] ruim boven de vermogensgrens ligt, dient dan ook te worden vastgesteld dat eiseres per 21 december 2001 geen recht had op een bijstandsuitkering.”

4.3. De Raad kan zich met deze overwegingen verenigen. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd voegt de Raad daaraan nog toe dat de in 1991 tussen appellante en haar dochter [dochter 2] gesloten overeenkomst niet anders is dan een algemene machtiging van appellante ter zake van de financiën van haar dochter. In deze machtiging is de hier in geding zijnde bankrekening niet vermeld. Ook aan de verklaring van [dochter 2] van 28 juni 2006 kan de Raad niet de betekenis hechten die appellante daaraan toekent. Appellante heeft gesteld dat het geld op haar naam is gezet in verband met minderjarigheid van [dochter 2]. Ten tijde in geding was [dochter 2], geboren in 1972, al geruime tijd meerderjarig. Dat het geld aan [dochter 2] zou toebehoren komt ook niet overeen met het feit dat op 8 mei 2006 het gehele saldo is overgemaakt naar een rekening van de jongste dochter van appellante, [dochter 1]. Dat een en ander verband houdt met de op dat moment bestaande psychische gesteldheid van dochter [dochter 2], zoals ter zitting is aangevoerd, acht de Raad - wat daarvan verder ook zij - daarvoor een onvoldoende verklaring.

4.4. Aangezien op 8 mei 2006 het gehele saldo van de betreffende bankrekening is overgemaakt naar dochter [dochter 1] is vanaf dat moment het vermogen buiten de beschikkingsmacht van appellante geraakt. Anders dan het College is de Raad van oordeel dat vanaf 8 mei 2006 geen sprake meer is van vermogen boven de voor appellante geldende grens. Het besluit van 10 januari 2007 is in zoverre dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.5. Ter zake van de periode van 21 december 2000 tot en met 7 mei 2006 is het College wel bevoegd tot intrekking van de bijstand. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde intrekkingsbevoegdheid.

4.6. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 10 januari 2007 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 8 mei 2006 tot en met 31 mei 2006 vernietigen.

4.7. Nu het besluit tot intrekking niet geheel in stand kan blijven, is daarmee tevens de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen. Aangezien het terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één

- daarin te vermelden - bedrag aan terugvordering en dat besluit een executoriale titel oplevert, zal de Raad het besluit van 10 januari 2007 ter zake van de terugvordering over de gehele in geding zijnde periode eveneens vernietigen. Het College zal ter zake van de terugvordering over de periode van 21 december 2000 tot en met 7 mei 2006 een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen. Met het oog daarop overweegt de Raad dat, gelet op hetgeen hiervoor ter zake van dat tijdvak is overwogen, is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.8. De Raad ziet aanleiding om het College ter veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op

€ 644,-- en eveneens op € 644,-- wegens in beroep en hoger beroep verleende rechtshulp.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 januari 2007 voor zover dat ziet op de intrekking over de periode van 8 mei 2006 tot en met

31 mei 2006;

Vernietigt het besluit van 10 januari 2007 voor zover dat ziet op de terugvordering;

Bepaalt dat het College ter zake van de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-- te betalen door de gemeente Almere;

Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.F. Bandringa en H.C.P, Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A. Badermann.

RB