Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-4173 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. In eerdere procedure vastgesteld dat maatmaninkomen te hoog was vastgesteld. Nieuw besluit genomen per toekomstige datum. Nieuw medisch onderzoek niet noodzakelijk. Niet is gebleken dat de functies waarvoor betrokkene geschikt is geacht de mogelijkheden van betrokkene te boven gaan,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4173 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 28 juni 2007, 07/197 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 30 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2008. Voor appellant is verschenen J.T. Wielinga. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 21 augustus 2006 is de aan betrokkene toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, per 22 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 19 januari 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en appellant gelast het griffierecht aan betrokkene te vergoeden. Daartoe is – samengevat – overwogen en geoordeeld dat blijkens artikel 2 van het Schattingsbesluit (Sb) de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet zijn gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek, dat enkel van een arbeidskundig onderzoek kan worden afgezien, dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek volgens artikel 3 Sb ertoe strekt om de beperkingen als gevolg van ziekte en/of gebrek vast te stellen, dat artikel 4 Sb nadere eisen noemt waaraan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek moet voldoen, dat niet is gebleken dat aan het besluit van 21 augustus 2006 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek is voorafgegaan, dat het telefonische contact van bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers op 10 januari 2007 met betrokkene onvoldoende grondslag kan bieden voor het beoordelen van diens gezondheidstoestand op 22 oktober 2006, dat daarbij van belang is dat betrokkene op 12 oktober 2005 voor het laatst lichamelijk is onderzocht door een verzekeringsarts en dat betrokkene het niet eens is met de beperkingen zoals die zijn vastgesteld per 30 januari 2006, dat het onderzoek derhalve niet zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies daarom niet kunnen worden gehandhaafd.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid is herzien enkel op arbeidskundige gronden, dat de medische gegevens alleen op actualiteit zijn beoordeeld, dat bezwaarverzekeringsarts Egbers betrokkene in het telefonische contact heeft gevraagd of er wijzigingen in diens gezondheidstoestand zijn opgetreden met de bedoeling om betrokkene indien nodig uit te nodigen op zijn spreekuur, dat het antwoord van betrokkene geen aanleiding gaf om een wijziging in diens gezondheidstoestand te vermoeden en dat een spreekuurcontact daarom niet nodig was.

5. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad beschouwt het besluit van 19 januari 2007 gelet op de wijze van totstandkoming en de toelichting ter zitting, als een uitvloeisel van de in de eerdere procedure gedane constatering dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene ten onrechte is vastgesteld op 25 tot 35%. In die procedure is immers al geconcludeerd dat van een onjuist indexcijfer en bijgevolg van een te hoog maatmaninkomen is uitgegaan en dat correctie hiervan leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Omdat het instellen van bezwaar betrokkene niet in een slechtere positie mag brengen heeft appellant hieraan geen consequenties verbonden. De Raad heeft ter zitting vastgesteld dat partijen het over deze conclusie als zodanig eens zijn.

6.2 Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in de lopende procedure waarin de fout was ontdekt en waarin al een besluit op bezwaar was genomen, een gewijzigd besluit op bezwaar af te geven waarin de mate van arbeidsongeschiktheid per toekomende datum op 15 tot 25% werd gesteld. Appellant heeft daarentegen een nieuw primair besluit genomen en de mate van arbeidsongeschiktheid bij dat besluit herzien. Deze wijze van besluitvorming is geenszins ontoelaatbaar en brengt ook niet met zich dat appellant gehouden zou zijn een nieuw medisch onderzoek te verrichten. Dat vervolgens bij de voorbereiding van het besluit op het bezwaar dat betrokkene tegen het nieuwe primaire besluit had gemaakt, door een bezwaarverzekeringsarts met betrokkene is gebeld om te vragen of diens gezondheidstoestand sinds januari 2006 niet was gewijzigd – hetgeen door betrokkene in dat telefoongesprek en overigens ook ter zitting van de Raad werd bevestigd – getuigt naar het oordeel van de Raad van zorgvuldigheid.

7. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu de Raad uit hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd niet is gebleken dat de functies waarvoor betrokkene geschikt is geacht de mogelijkheden van betrokkene te boven gaan, dient het beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2007 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en B.W.N. de Waard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C. Palmboom.

GdJ