Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-2707 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen reden om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft of dat haar beperkingen zijn onderschat. Het Uwv heeft genoegzaam aannemelijk gemaakt dat geraadpleegde verzekeringsarts op de datum van het onderzoek een geregistreerd verzekeringsarts was. Geen aanleiding aanwezig voor het benoemen van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2707 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 april 2007, 06/1358 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 21 november 2005 (de datum in geding) ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.

1.2. Bij besluit van 25 januari 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2005 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank Arnhem heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft appellante de gronden van haar beroep, waarin zij onder meer aangegeven heeft dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, dat haar beperkingen zijn onderschat en dat er geen rekening is gehouden met de medische informatie in het dossier, herhaald. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het primaire besluit is gebaseerd op de bevindingen van M.T.C.M. van der Wielen (arts) en dat onduidelijk is of deze arts een verzekeringsarts is. Voorts heeft appellante een schrijven van de haar behandelend radioloog H. Wissink d.d. 3 november 2006, de haar behandelend Cesar-therapeute M.L.M. te Woerd d.d. 1 november 2007 alsmede een brief van haar huisarts B.P.A. Thoonen van 20 december 2005 overgelegd. Ten slotte verzoekt appellante de Raad een deskundige te benoemen.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft of dat haar beperkingen zijn onderschat. De Raad overweegt hiertoe dat het onderzoek naar de beperkingen van appellante zorgvuldig is verricht, dat over de bevindingen uit het onderzoek uitgebreid is gerapporteerd en dat die bevindingen op juiste wijze zijn vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Uit de rapporten van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, patholoog F.J.W ten Kate en de overige zich in het dossier bevindende medische stukken is niet af te leiden dat appellante meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Datzelfde geldt ook voor de in hoger beroep ingebrachte stukken van de radioloog, de Cesar-therapeute en de huisarts.

3.3. De Raad overweegt voorts dat het Uwv genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat M.T.C.M. van der Wielen op de datum van het onderzoek een geregistreerd verzekeringsarts was.

3.4. Nu de Raad van oordeel is dat de medische component van de schatting juist is, ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen in te willigen.

4. Nu voorts niet is gebleken dat - uitgaande van de juistheid van de FML - appellante de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen vervullen, treft het hoger beroep geen doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door G. van der Wiel als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.D.F. de Moor.

CVG