Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
06-5786 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2006:AY7377, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Centralist. Uitluisteren van opnamen. Ontslag wegens plichtsverzuim: De korpsbeheerder heeft de omvang van het plichtsverzuim van appellant niet geheel juist vastgesteld. Overschrijding regiogrens met dienstauto niet gemeld bij chef van dienst. Appellant heeft collega's niet aangemoedigd in hun gedrag. Er is geen sprake van initiërende rol van appellant in seksistische en racisitische gesprekken met collega.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/98
ABkort 2009/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5786 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 25 augustus 2006, 06/146 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 15 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.P. Quist, advocaat te Zwijndrecht. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.I. Feenstra, advocaat te Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1977 werkzaam in politiedienst. Sinds maart 2002 was hij in de rang van brigadier werkzaam als centralist B bij de gemeenschappelijke meldcentrale (GMC) van de politieregio [regio] (hierna: regio).

Naar aanleiding van de ontvangst van een tweetal bekeuringen wegens snelheids-overtredingen met dienstauto’s buiten de grenzen van de regio en signalen dat vaker zonder zakelijke reden buiten de regio was gereden, heeft de korpsbeheerder besloten tot een grootschalig disciplinair onderzoek tegen 22 medewerkers, waaronder de centralisten. Het onderzoek is uitgevoerd door het Bureau Interne Zaken (BIZ), aangevuld met een onderzoeker van het BIZ van de politieregio Rotterdam-Rijnmond en enkele leden van het managementteam van de Divisie Recherche.

1.2. Bij besluit van 24 juni 2005, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van

23 december 2005, heeft de korpsbeheerder appellant met ingang van 1 juli 2005 wegens plichtsverzuim ontslagen. Appellant is verweten dat hij:

- niet heeft ingegrepen tijdens een autorit van agenten in diensttijd met een surveillanceauto naar Amsterdam in de nacht van [datum] 2004 en onjuist gedrag van collega’s in die dienstauto heeft aangemoedigd;

- niet heeft ingegrepen tijdens een autorit van agenten met een dienstauto naar Rotterdam in de nacht van [datum] 2005;

- zich laatdunkend en op seksistische wijze heeft uitgelaten over collega’s;

- ongewenste, discriminerende en racistische opmerkingen heeft gemaakt over allochtonen.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad merkt allereerst op dat hij het betreurt dat de korpsbeheerder niet het gehele rapport van het interne onderzoek heeft overgelegd, aangezien de stellingen van appellant met betrekking tot de (on)zorgvuldigheid van het onderzoek en de onevenwichtigheid bij de strafoplegging niet goed kunnen worden beoordeeld.

3.1.1. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs dat in de tuchtrechtelijke procedure niet mag worden gebruikt, omdat de korpsbeheerder met het uitluisteren van de geluidsopnamen van de meldkamer heeft gehandeld in strijd met de “Procedure uitluisteren opgenomen telefoon-mobilofoon-verkeer binnen de OO&HV Centrale”. De overgelegde procedureregeling heeft blijkens de tekst alleen betrekking op het uitluisteren van het digitaal opgenomen mobilofoon-, portofoon- en telefoonverkeer in geval van strafrechtelijk onderzoek, bij vragen en/of klachten (van burgers), bij bommeldingen en als leermoment voor centralisten. Voor die gevallen is (onder meer) geregeld op welke wijze het verzoek om de gesprekken te beluisteren moet worden gedaan en wie bevoegd is toestemming tot het uitluisteren te geven. Die gevallen zijn hier niet aan de orde. Uit de tekst van de procedureregeling blijkt niet dat het uitluisteren in een geval als het onderhavige niet toegestaan zou zijn.

3.1.2. Uit de gedingstukken blijkt dat de aanleiding tot het beluisteren van de geluids-opnamen was gelegen in de constatering op grond van eind januari 2005 binnengekomen bekeuringen, dat een surveillanceauto in de nacht van 10 op 11 januari 2005 zonder dienstnoodzaak de regiogrenzen had overschreden en dat met die auto een bezoek aan Amsterdam was gebracht. Bij het onderzoek daarnaar werd al snel duidelijk dat dit vaker was gebeurd. Gezien het feit dat het tot de taken van de centralist behoort om de inzet van personeel en middelen bij meldingen te bepalen en die inzet te begeleiden en te coördineren - reden waarom de surveillanceauto’s zijn uitgerust met het zogenoemde autovolgsysteem (AVLS) - moesten de medewerkers van de meldcentrale hiervan op de hoogte zijn geweest. Voor de korpsbeheerder was er daarom een zwaarwegend belang om ook de centralisten in het onderzoek te betrekken.

3.1.3. Ten aanzien van de grief dat de korpsbeheerder met het beluisteren van de geluidsopnamen de privacy van appellant heeft geschonden die zich uitstrekt over de werkplek, wijst de Raad erop dat de betreffende geluidsopnamen inderdaad zijn aan te merken als persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De Raad is van oordeel dat de korpsbeheerder in het onderhavige geval, zonder in strijd te komen met de Wbp, voor het disciplinaire onderzoek gebruik heeft kunnen maken van de geluidsopnamen. Voorop staat dat de centralisten ermee bekend zijn dat alle door hen vanaf de meldkamer gevoerde gesprekken worden opgenomen en dat deze kunnen worden beluisterd onder meer om bij vragen of klachten te kunnen nagaan of de centralisten juist hebben gehandeld. Gebruik van de opnamen in geval van een serieus vermoeden van ernstig plichtsverzuim van de centralisten ligt in diezelfde lijn en is daarmee in beginsel een niet onverenigbaar gebruik als bedoeld in artikel 9 van de Wbp. Voorts is onderzoek van de communicatie tussen de meldkamer en de surveillanceauto’s een noodzakelijk onderzoeksmiddel om in een geval als het onderhavige de omvang en ernst van het plichtsverzuim en het aandeel van ieder van de centralisten daarin vast te stellen. De Raad heeft voorts vastgesteld dat het uitluisteren van de opnamen ten behoeve van het disciplinaire onderzoek is beperkt tot de nachtelijke uren waarin de uitstapjes naar Amsterdam en Rotterdam hebben plaatsgevonden en aldus niet verder is gegaan dan noodzakelijk. De Raad acht ten slotte van belang dat het beluisteren van de opnamen niet alleen belastend materiaal voor appellant heeft opgeleverd, maar zoals hierna zal blijken, hem tevens op onderdelen ontlast.

3.1.4. Het oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs geldt evenzeer voor het plichtsverzuim in de vorm van het afkeurenswaardige taalgebruik dat door het beluisteren van de geluidsopnamen toevallig aan het licht is gekomen. Dat appellant aan de bewoordingen van de Procedureregeling het vertrouwen zou hebben ontleend dat slechts bij vragen of klachten van burgers, bij strafrechtelijk onderzoek of bommeldingen de opgenomen gesprekken worden uitgeluisterd, kan aan het oordeel van de Raad niet afdoen. Deze grief van appellant kan niet slagen.

3.2. De Raad zal vervolgens beoordelen of de korpsbeheerder terecht en in de juiste omvang plichtsverzuim van appellant heeft vastgesteld.

3.2.1. Met betrekking tot het eerstgenoemde verwijt dat appellant niet heeft ingegrepen tijdens de rit in diensttijd met een surveillanceauto naar Amsterdam in de nacht van [datum] 2004 en dat hij onjuist gedrag van collega’s in die dienstauto heeft aangemoedigd overweegt de Raad dat uit de uitgewerkte telefoongesprekken [nr. 1], [nr. 2] en [nr. 3] naar voren komt dat collega W.E. van de meldkamer aan J. van H. en P. de H. (hierna: de agenten) toestemming heeft gegeven om naar Amsterdam te rijden, op voorwaarde dat “er wel iets aan zit voor de meldkamer” en dat hij dan het kassabonnetje uit Amsterdam wil zien. Voorts heeft W.E. ook beloofd niet de chef van dienst in te lichten.

3.2.2. Appellant zoekt kort daarna telefonisch contact met de agenten als deze inmiddels al in de omgeving van Utrecht rijden en dringt er tot drie keer toe bij hen op aan om terug te keren. Als antwoord verwijzen de agenten naar de met W.E. gemaakte deal. Naar appellant heeft verklaard zat W.E. met dit gesprek mee te luisteren en had deze zijn aandacht getrokken en iets geroepen over een weddenschap en een bonnetje. Weliswaar staat vast dat de aansporingen om terug te keren blijkbaar niet genoeg indruk hebben gemaakt op de agenten, waarna appellant het er bij heeft laten zitten, maar dat appellant vóórdat hij met J. van H. belde ervan op de hoogte was dat deze zonder dienstreden op weg was naar Amsterdam en dat hij dit onjuiste gedrag heeft aangemoedigd, wordt door appellant betwist en kan uit dit uitgewerkte telefoongesprek niet met zekerheid worden afgeleid. Ook uit het volgende telefoongesprek blijkt dat appellant zich zorgen maakt over de rit van de agenten en probeert hen het onjuiste van hun gedrag te doen inzien.

De Raad concludeert met de korpsbeheerder dat sprake is van plichtsverzuim in zoverre appellant zijn pogingen om de agenten terug te halen niet heeft doorgezet en niet de chef van dienst heeft gewaarschuwd, maar onderschrijft niet het standpunt van de korpsbeheerder dat hij de agenten in hun gedrag heeft aangemoedigd.

3.2.3. Met betrekking tot het verwijt dat appellant niet heeft ingegrepen tijdens een rit met een dienstauto naar Rotterdam in de nacht van [datum] 2005 merkt de Raad op dat appellant van meet af aan heeft betwist dat hij die nacht heeft begrepen en geweten dat J. van H., toen deze die nacht korte tijd het politiefeest in Rotterdam bezocht, dienst had. De Raad volgt appellant daarin. Allereerst acht de Raad van belang dat de auto waarmee de agenten die nacht op pad waren een burgerauto was die niet was uitgerust met AVLS. Ook werd er gebeld vanaf een gewone mobiele telefoon. De transcriptie van de desbetreffende telefoongesprekken en de afgelegde mondelinge verklaringen bieden veeleer steun aan het standpunt van appellant, dan dat daaruit overtuigend naar voren komt dat appellant er wel van op de hoogte was dat J. van H. en A. ten C., toen er vanaf het feest werd gebeld, dienst hadden. Naar appellant meerdere malen en onweersproken heeft aangevoerd zocht met name J. van H. wel vaker contact met de meldkamer ook als hij niet in dienst was.

De Raad acht op dit onderdeel het verweten plichtsverzuim niet aangetoond.

3.3. Wat betreft de verweten laatdunkende en seksistische wijze van spreken over collega’s, alsook de verweten racistische opmerkingen, heeft appellant, naar uit de gedingstukken blijkt, erkend dat het taalgebruik, zoals dat bij een deel van de beluisterde gesprekken naar voren is gekomen, van een bedenkelijk niveau was. Appellant heeft verklaard zich daar achteraf diep voor te schamen. Appellant heeft er echter ook op gewezen dat ruw taalgebruik bij collega’s onder elkaar aan de orde van de dag was en dat de scherts en bluf er duimendik bovenop lag. Hij heeft voorts aangevoerd dat hij absoluut geen racist is, en daarbij gewezen op zijn goede staat van dienst in de probleemwijk Krispijn, alsmede op het feit dat hij door collega’s van allochtone herkomst juist wordt gewaardeerd omdat hij hen met respect behandelt. Datzelfde geldt voor het verwijt van seksisme. Appellant heeft verder nog aangevoerd dat in de gesprekken evenzeer te beluisteren valt dat hij enkele malen heeft gepoogd J. van H. te stoppen als deze vulgaire taal gebruikt.

De Raad is op dit onderdeel met de korpsbeheerder van oordeel dat sprake is van volstrekt ongepast taalgebruik en daarmee van ernstig plichtsverzuim. Dat het gaat om gesprekken tussen collega’s onder elkaar die er zich niet van bewust waren en hoefden te zijn dat hun conversatie nog eens zou worden beluisterd en die conversatie plaatsvond in de nachtelijke stille en saaie uren, maakt dit taalgebruik niet acceptabel. Wel blijkt uit de weergave van de gesprekken dat het initiatief in de meeste gevallen niet van appellant kwam en dat hij ook enkele malen heeft gepoogd de agent J. van H. te stoppen door de conversatie over een andere boeg te gooien. Tegen die achtergrond en gezien de onweersproken goede staat van dienst van appellant in de wijk Krispijn, is de Raad van oordeel dat het verwijt dat die uitlatingen blijk geven van een racistische instelling te ver gaat, hoe verwerpelijk die uitlatingen ook zijn.

4. Concluderend is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder de omvang van het plichtsverzuim van appellant niet geheel juist heeft vastgesteld, nu ten onrechte plichtsverzuim van appellant is aangenomen bij de rit naar Rotterdam. Voorts is de korpsbeheerder er ten onrechte van uitgegaan dat appellant zijn collega’s die op weg waren naar Amsterdam in hun plichtsverzuim heeft aangemoedigd. Ten slotte blijft weliswaar staan dat appellant zich in de gesprekken met - alleen - J. van H. heeft uitgelaten op een wijze die als seksistisch en racistisch kan worden gekwalificeerd, maar daarbij is er naar het oordeel van de Raad in mindere mate dan waarvan de korps-beheerder is uitgegaan, sprake geweest van een initiërende rol van appellant en heeft de korpsbeheerder ten onrechte geen betekenis toegekend aan de pogingen van appellant om de conversatie bij te sturen. Dat bij appellant daadwerkelijk sprake is van een racistische instelling die niet verenigbaar is met het ambt van politieambtenaar is voor de Raad geenszins komen vast te staan.

5. De Raad acht overigens het plichtsverzuim voor zover dat is komen vast te staan volledig aan appellant toe te rekenen. De korpsbeheerder was dus bevoegd appellant disciplinair te straffen.

Met betrekking tot de grief dat appellant onevenredig zwaar is bestraft, heeft de korpsbeheerder aangevoerd dat hij bij het opleggen van de straffen heeft gehandeld volgens een uitgewogen straftoemetingsschema, waarbij appellant als één van de drie mensen die de meeste en zwaarste verwijten konden worden gemaakt strafontslag heeft gekregen. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat nu een van de verwijten geheel is weggevallen en de andere in meerdere of mindere mate relativering verdienen, de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet langer evenredig is aan het vaststaande plichtsverzuim. Het bestreden besluit kan derhalve niet in stand blijven en dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De korps-beheerder zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. Daarbij zal de korpsbeheerder dan tevens dienen in te gaan op het verzoek van appellant om hem na de vernietiging van het ontslagbesluit de materiële en immateriële schade te vergoeden die hij door het onrechtmatige strafontslag heeft geleden.

6. De Raad ziet in het bovenstaande aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtskundige bijstand en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 644,- .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de korpsbeheerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,-, te betalen door de politieregio [regio];

Bepaalt dat de politieregio [regio] aan appellant het griffierecht tot een totaalbedrag van € 349,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD