Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
06-7087 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Kopieren van notitieboekje van leidinggevende; ongewenst gedrag tegenover vrouwelijke collega’s; ondanks verbod veelvuldig telefonisch contact met ex-partner. De Raad onderschrijft niet de grief van appellant dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen zijn gedrag te verbeteren en dat hij bij zijn terugkeer onvoldoende is begeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7087 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 november 2006, 05/3347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 22 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen 07/2620 WW en 07/2624 AW tussen appellant enerzijds en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werk-nemersverzekeringen en de korpsbeheerder anderzijds, plaatsgevonden op 11 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. G.E. Treffers en H.P. van der Veek, beiden werkzaam bij de politieregio [regio].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als medewerker basispolitiezorg bij de politieregio [regio]. Bij besluit van 15 mei 2000, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 2 april 2001, is appellant met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) met ingang van 1 juni 2000 ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. De Raad heeft bij uitspraak van

3 oktober 2002, 01/4849 AW, de uitspraak van de President van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarbij het door appellant tegen het besluit op bezwaar van 2 april 2001 ingestelde beroep ongegrond was verklaard, vernietigd, het beroep tegen dat besluit alsnog gegrond verklaard en zowel het besluit van 2 april 2001 als het besluit van 15 mei 2000 vernietigd. Daarbij heeft de Raad, kort samengevat, overwogen dat de korpsbeheerder terecht kritiek heeft geleverd op het gedrag van appellant en daarmee op zijn wijze van functioneren, maar dat de korps-beheerder appellant, die overigens een goed en alert politieman was, de gelegenheid had moeten bieden door middel van extra begeleiding of andere maatregelen (bijvoorbeeld door hem speciale cursussen te laten volgen) verbetering te brengen in het betreffende gedrag.

1.2. Appellant is vervolgens met ingang van 18 maart 2003 geplaatst in het team [naam team] van het korps. Daaraan zijn gesprekken met appellant vooraf gegaan, waarin door de korpsleiding is aangegeven dat herhaling van het gedrag dat onderwerp was van de gerechtelijke procedure, zoals het actief en bij herhaling toenadering zoeken tot vrouwelijke collega’s, niet wordt getolereerd. Daarnaast is er ten behoeve van appellants begeleiding een traject van voortgangs- en functioneringsgesprekken gestart. Een aanbod tot het volgen van een cursus op het gebied van gedragverandering werd door appellant vooralsnog afgewezen, in verband met zijn persoonlijke situatie op dat moment.

1.3. Omdat de korpsleiding in de daarop volgende maanden signalen ontving, die erop duidden dat het gedrag van appellant nog steeds te wensen overliet, achtte de korpschef het noodzakelijk dat appellant deskundige begeleiding kreeg. Daartoe is appellant in juli 2003 verwezen naar een gedragstherapeut. Omdat het niet wenselijk werd geacht dat appellant gedurende die begeleiding surveillancediensten uitvoerde, is appellant tijdelijk overgeplaatst naar het Woninginbrakenteam (WIT). Aan dit begeleidingstraject, dat binnen diensttijd mocht worden gevolgd, is reeds na twee gesprekken een einde gekomen.

1.4. Na daartoe bij brief van 19 april 2004 het voornemen kenbaar te hebben gemaakt, heeft de korpsbeheerder appellant bij besluit van 27 juli 2004 met ingang van 30 augustus 2004 ontslag verleend. Primair geschiedde dit ontslag met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp (strafontslag) en subsidiair met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder f, van het Barp (ontslag wegens ongeschiktheid voor de functie).

Appellant wordt verweten dat hij (i) onrechtmatig een vertrouwelijk stuk, te weten het notitieboekje van zijn leidinggevende, heeft ingezien en daaruit bladzijden heeft gekopieerd; (ii) ongewenst gedrag tegenover drie vrouwelijke collega’s heeft getoond; (iii) het verbod om via de diensttelefoon contact op te nemen met zijn ex-partner heeft genegeerd en (iv) met de diensttelefoon een pornografische afbeelding aan zijn ex-partner heeft verzonden.

Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 31 maart 2005 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat de korpsbeheerder deze gedragingen terecht heeft aangemerkt als plichtsverzuim. De door de korpsbeheerder opgelegde straf van ontslag is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig aan de ernst en omvang van het plichtsverzuim.

2.2. In hoger beroep erkent appellant dat hij aantekeningen van zijn leidinggevende heeft ingezien en gekopieerd en dat hem hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Appellant betoogt echter dat het boekje door eenieder kon worden ingezien. De contacten met zijn vrouwelijke collega’s waren volgens appellant niet ongewenst. Appellant erkent voorts in een emotionele opwelling met de diensttelefoon contact te hebben opgenomen met zijn ex-partner, maar bestrijdt de pornografische afbeelding te hebben verzonden. Waar het gaat om het gedrag tegenover de vrouwelijke collega’s en zijn ex-partner treft appellant naar zijn mening geen zwaar verwijt. Van zodanig plichtsverzuim, dat dit de opgelegde straf van ongevraagd ontslag rechtvaardigt, is volgens appellant dan ook geen sprake. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat de korpsbeheerder in gebreke is gebleven om hem adequaat te begeleiden bij zijn terugkeer in het korps en dat hij geen faire kans heeft gehad om te bewijzen dat hij in staat is om zijn problematische gedragskenmerken, na adequate begeleiding, onder controle te krijgen.

2.3. Van de zijde van de korpsbeheerder is hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Zoals appellant hiervoor onder 2.2 heeft aangegeven, treft hem ten aanzien van het inzien en kopiëren van het notitieboekje een verwijt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het feit dat het boekje door eenieder kon worden ingezien - zo dit al juist is - voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid irrelevant is.

3.2. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ongewenst gedrag tegenover vrouwelijke collega’s. Van de zijde van de korpsbeheerder is appellant er meermalen op gewezen dat dit gedrag niet op prijs werd gesteld en dat hij zich ervan diende te onthouden. Dat die collega’s geen officiële klacht tegen appellant hebben ingediend, acht de Raad niet van doorslaggevende betekenis. Uit de stukken blijkt voldoende duidelijk dat zij zich tegenover de leiding hebben beklaagd over het gedrag van appellant. Dat het initiatief daartoe is uitgegaan van de korpsbeheerder, zoals appellant stelt, is de Raad niet gebleken. Ook al zouden die contacten niet vanaf de aanvang ervan reeds als ongewenst bestempeld kunnen worden, dan laat dit onverlet dat uit hetgeen die collega’s hebben verklaard over het verloop van die contacten, waarvan de inhoud door appellant niet of nauwelijks is bestreden, kan worden vastgesteld dat appellant daarbij de grens van het betamelijke heeft overschreden.

3.3. Ook staat voor de Raad genoegzaam vast dat appellant, ondanks een verbod daartoe, nog veelvuldig contact heeft gezocht met zijn ex-partner, met zowel zijn privételefoon als de diensttelefoon. Anders dan appellant doet voorkomen gaat het hier om die contacten zelf, waarbij de vraag of dit al dan niet onder diensttijd of met de diensttelefoon geschiedde, minder relevant is. Voorts acht de Raad voldoende aannemelijk dat het appellant is geweest die de betreffende pornografische afbeelding via de diensttelefoon aan zijn ex-partner heeft verzonden. Daartoe overweegt de Raad dat, zoals appellant ook niet betwist, die afbeelding via zijn privételefoon naar de diensttelefoon is verzonden, vervolgens van de diensttelefoon nogmaals naar de diensttelefoon en daarna vanaf de diensttelefoon naar de telefoon van zijn ex-partner is verzonden. Ook staat vast dat appellant kort daarvoor zijn voicemail heeft afgeluisterd en dat er vanaf appellants toestel een sms-bericht aan een duikvriend van hem is verzonden. Nu het afluisteren van de voicemail volgens appellants verklaring slechts mogelijk is door het intoetsen van een pincode, komt het de Raad onwaarschijnlijk voor dat één van appellants collega’s dit heeft gedaan. Die collega’s hebben allen verklaard de ex-partner van appellant niet of nauwelijks te kennen en in ieder geval, in tegenstelling tot hetgeen appellant ter zitting heeft gesteld, niet te beschikken over haar privénummer. Zo één van die collega’s erop uit zou zijn geweest appellant voor het versturen van de afbeelding te laten opdraaien, zoals appellant heeft laten doorschemeren, had het naar het oordeel van de Raad meer voor de hand gelegen dat die afbeelding rechtstreeks - en dus direct tot appellant herleidbaar - vanaf het toestel van appellant naar zijn ex-partner was verzonden.

3.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat dit plichtsverzuim oplevert. Dit plichtsverzuim is appellant toe te rekenen. De Raad onderschrijft niet de grief van appellant dat hij geen eerlijke kans heeft gekregen zijn gedrag te verbeteren en dat hij bij zijn terugkeer onvoldoende is begeleid. Zo is hij, zoals uit stukken kan worden afgeleid, juist bij het team [naam team] geplaatst, omdat hij daar beter begeleid kon worden. Van begin af aan zijn met appellant diverse gesprekken gevoerd, waarbij hij er herhaaldelijk op is gewezen dat zijn gedrag niet kan worden getolereerd. Appellant heeft daarbij meermalen laten blijken het niet eens te zijn met de zienswijze van de korpsleiding en zich daarbij gesteund te voelen door de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2002. Dit laatste naar het oordeel van de Raad geheel ten onrechte, nu de Raad in die uitspraak heeft geconcludeerd dat de korpsbeheerder terecht kritiek had geleverd op het gedrag van appellant. Terecht heeft de korpsbeheerder, toen appellant er na zijn terugkeer blijk van gaf dit niet in te zien, appellant er op gewezen, dat dit gedrag niet kon worden getolereerd. Appellant volhardde echter in zijn opvatting dat hem niets te verwijten viel. Dat appellant weigerde het onjuiste van zijn gedrag in te zien blijkt wel uit het feit dat hij enkele malen, nadat hij was aangesproken op het onacceptabele van zijn gedrag tegenover zijn collega’s, onmiddellijk met die collega’s contact opnam om te bespreken wat hem zojuist door de korpsleiding was voorgehouden.

3.5. Naast de begeleiding vanuit het korps is appellant in maart 2003 aangeboden een cursus te volgen, maar appellant heeft hiervan om persoonlijke redenen afgezien. Aan de in juli 2003 door de korpsbeheerder noodzakelijke geachte begeleiding is reeds na twee gesprekken een einde gekomen. Hoewel ook de korpsbeheerder enigszins valt aan te rekenen dat de begeleiding nadien niet meer is voortgezet, moet worden gezegd dat in eerste instantie de opstelling van appellant debet is geweest aan de beëindiging ervan. Door ook tegenover de therapeut te volharden in het standpunt dat er van zijn kant geen sprake was van ongewenst gedrag dat veranderd zou moeten worden, heeft appellant een zinvolle voortzetting van de behandeling feitelijk onmogelijk gemaakt.

3.6. De korpsbeheerder was derhalve bevoegd om appellant disciplinair te bestraffen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is aan het verweten plichtsverzuim. Appellant was een gewaarschuwd man en heeft, ondanks begeleiding, zijn gedrag niet weten te verbeteren. Appellant is door de korpsleiding terecht aangesproken op zijn gedrag. Van vooringenomenheid van de korpsbeheerder is de Raad niet gebleken.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.G. Rottier en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD