Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
07-3786 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Ernstig plichtsverzuim: raadplegen van politie-informatiesystemen zonder noodzakelijk dienstbelang, verstrekken van informatie mondeling of per e-mail vanaf de werkplek aan een onbevoegde derde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3786 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juni 2007, 07/178 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politie[politieregio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 22 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2008, waar appellant is verschenen bijgestaan door mr. Th.J.J. Dierichs, advocaat te Herkenbosch. De korps-beheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.T.J.H. Berns, werkzaam bij CAPRA, en drs. A.F. Quaedvlieg, werkzaam bij de politieregio [politieregio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 1973 werkzaam bij de politieregio, laatstelijk als senior medewerker basispolitiezorg bij de districtsrecherche te [naam district].

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek is op 5 januari 2006 verdachte G. door twee politieambtenaren van de politieregio verhoord. Na dit verhoor heeft G. van appellant afkomstige e-mailberichten getoond met onder meer politie-informatie uit het bedrijfsprocessensysteem (BPS) van de politieregio. Vervolgens is een strafrechtelijk onderzoek naar appellant ingesteld in verband met schending van het ambts/beroeps-geheim en is aan appellant bij brief van 30 maart 2006 een disciplinair onderzoek aangezegd.

1.2. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft de korpsbeheerder appellant bij brief van 10 juli 2006 in kennis gesteld van zijn voornemen om hem met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant gedurende het tijdvak van augustus 2005 tot en met december 2005 diverse malen politie-informatiesystemen heeft geraadpleegd, zonder dat enig dienstbelang daartoe noodzaakte, en informatie daaruit mondeling of per e-mail vanaf zijn werkplek heeft verstrekt aan een onbevoegde derde.

1.3. Bij besluit van 8 september 2006 heeft de korpsbeheerder appellant wegens ernstig plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd, met ingang van de dag volgend op de dag van uitreiking van het besluit. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 9 januari 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Tussen partijen is niet meer in geschil en ook voor de Raad staat vast dat appellant zich aan ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 76 van het Barp heeft schuldig gemaakt. In hoger beroep is nog aan de orde of dit plichtsverzuim aan appellant valt toe te rekenen en of de opgelegde straf daaraan niet onevenredig is te achten.

3.2. De Raad is eerst van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het plichtsverzuim niet (volledig) aan appellant is toe te rekenen. Er zijn geen (medische) verklaringen of gegevens beschikbaar waaruit zou kunnen worden afgeleid dat appellant ten tijde van belang de onjuistheid van zijn handelen niet heeft kunnen inzien of niet in overeenstemming met dat inzicht heeft kunnen handelen.

3.3. De Raad acht voorts de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de aard en ernst van de gedragingen en de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. Tegenover de stelling van appellant dat het integriteitsvraagstuk pas aan het eind van 2006 aandacht kreeg, geldt dat op politieambtenaren te allen tijde de verplichting tot vertrouwelijkheid en geheimhouding ter zake van, onder andere, politie-informatie rust. Dit is met de verspreiding van het uit 1997 daterende Integriteitsstatuut - waarmee ook appellant bekend mag worden verondersteld - nog eens is onderstreept. Dat appellant een lange staat van dienst heeft en groot (financieel) belang bij voorzetting van zijn dienstverband kan de Raad evenmin tot een ander oordeel brengen.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD