Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-3659 WAO + 08-1062 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Bij nader besluit mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 15-25%, met nadere arbeidskundige motivering. Vernietiging eerste besluit. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing tweede besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3659 WAO

08/1062 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2007, 06/3565 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadien diverse nadere stukken in het geding gebracht en standpunten uitgewisseld.

Bij brief van 7 februari 2008 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van dezelfde datum overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als produktiemedewerker. In verband met elleboogklachten is hij met ingang van

18 mei 1992 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. In verband met een herbeoordeling heeft in 2005 verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft op

17 november 2005 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft op basis van de FML geconcludeerd dat appellant geschikt wordt geacht tot het verrichten van gangbare, algemeen geaccepteerde arbeid, waarvan hem voorbeelden van functies zijn voorgehouden. De verdiensten in deze functies vergeleken met het zogenoemde maatmaninkomen resulteren in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

1.2. Bij besluit van 17 maart 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 mei 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van diens arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%. Bij besluit van 20 juli 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv na rapportages van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv het door appellant tegen het besluit van 17 maart 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat gelet op de wijze waarop de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts hun standpunten hebben onderbouwd en gelet op de overige gedingstukken het medische onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de anamnese, een eigen onderzoek en de informatie van het RIAGG. De bezwaarverzekeringsarts heeft zijn conclusies gebaseerd op dossierstudie en informatie verkregen van de hoorzitting. De rechtbank heeft bij haar conclusie in overweging genomen dat appellant noch voor de geclaimde slaapproblematiek noch voor de verminderde kracht van de pols en/of handfunctie medische gegevens heeft overgelegd, waaruit blijkt dat het Uwv zijn belastbaarheid op een onjuiste wijze heeft ingeschat. De rechtbank heeft derhalve geen aanknopingspunten gezien om de door het Uwv gehanteerde FML van 17 november 2005 voor onjuist te houden. De rechtbank acht verder genoegzaam aangetoond dat de belasting die verbonden is aan de appellant voorgehouden functies zijn belastbaarheid niet overschrijdt.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij vanwege zijn elleboogklachten en psychische beperkingen niet in staat is de werkzaamheden in de hem voorgehouden functies te verrichten. Voorts heeft hij aangevoerd dat de vaststelling van het maatmaninkomen en de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit niet juist is.

3.2. Het Uwv heeft het in rubriek I genoemde besluit van 7 februari 2008 (hierna: bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 18 mei 2006 alsnog bepaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij brief van 3 november 2008 heeft het Uwv met verwijzing naar het bijgevoegde rapport van dezelfde datum van een bezwaararbeidsdeskundige een nadere toelichting gegeven op de vaststelling naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3.3. Bij brief van 24 november 2008 heeft appellant meegedeeld dat met de nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapport van 3 november 2008 voldoende helderheid is verschaft waar het de arbeidskundige component van de onderhavige schatting betreft en dat tussen partijen nog slechts de medische beoordeling in geschil is.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellant ter zake van de medische grondslag heeft aangevoerd, geen grond is te vinden om de rechtbank in haar oordeel niet te volgen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de functionele mogelijkheden van appellant ten tijde hier in geding. Naar aanleiding van de door appellant in hoger beroep ingebrachte gegevens van de behandelend sector overweegt de Raad het volgende. Het Uwv heeft in zijn reactie van 5 november 2007 en 12 februari 2008 op die gegevens verwezen naar het commentaar van zijn bezwaarverzekeringsarts van 30 oktober 2007 respectievelijk 11 februari 2008. Deze arts stelt dat de gegevens betreffende de knieklachten en arm/elleboogklachten geen aanleiding geven de vastgestelde belastbaarheid te herzien. Met de verminderde belastbaarheid is in voldoende mate rekening gehouden in de FML van 17 november 2005. Met betrekking tot de psychiatrische problematiek heeft de bezwaarverzekeringsarts er op gewezen dat deze problematiek dateert van na de datum in geding, 18 mei 2006. Appellant was rond mei 2006 niet in beeld bij BAVO Europoort en uit de overgelegde informatie blijkt niet dat er rond mei 2006 reeds sprake was van een ernstig psychotisch beeld. Op grond hiervan ziet het Uwv in de nader overgelegde gegevens geen aanleiding om terug te komen op het ingenomen standpunt. De Raad onderschrijft dit standpunt van het Uwv. Appellant heeft in reactie op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts nog aangevoerd dat per 18 mei 2006 geen behandeling plaatsvond bij BAVO Europoort, maar bij het RIAGG. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Uit het door appellant bij brief van 15 oktober 2007 overgelegd schrijven van het RIAGG van 26 februari 2007 blijkt dat appellant het RIAGG voor het laatst op 22 augustus 2005 heeft bezocht.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt en dat de in de arbeidskundige rapportages een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de bij de geselecteerde functies aangebrachte signaleringen.

4.4. De Raad stelt vervolgens vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat bestreden besluit 1 wegens een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag niet kan worden gehandhaafd. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant. De aangevallen uitspraak, waarbij bestreden besluit 1 in stand is gelaten dient, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, te worden vernietigd. Bestreden besluit 1 dient eveneens te worden vernietigd.

4.5. Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellant, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.6. Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat het bij de beoordeling van dat besluit nog slechts kan gaan om de arbeidskundige grondslag. De Raad stelt vast dat appellant daartegen geen gronden meer heeft aangevoerd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

JL