Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
06-5520 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. De Raad oordeelt dat de aan appellant op grond van het BZA verstrekte suppletie, gezien het karakter van die uitkering, is aan te merken als een aan het wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 soortgelijke uitkering op grond van ontslag of werkloosheid als hiervoor bedoeld. Ter voorlichting van appellant wijst de Raad nog op artikel 5, derde lid, van het BWOO, waaruit volgt dat na eindiging van de suppletie die appellant ontving, onder bepaalde voorwaarden, waaraan appellant lijkt te voldoen, recht bestaat op een BWOO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/161
ABkort 2009/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5520 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 augustus 2006, 06/1398 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 22 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

[naam onderwijsgroep] te [vestigingsplaats], rechtsopvolger van de werkgever van appellant, heeft meegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen.

Appellant en het Uwv hebben hun standpunten nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.G.E. Hout Beckers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Appellant, zoals tevoren bericht, en de [naam onderwijsgroep] zijn niet ter zitting verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, als docent werkzaam bij de rechtsvoorganger van de [naam onderwijsgroep], heeft op 28 augustus 1997 vanwege arbeidsongeschiktheid zijn werkzaamheden gestaakt. Aan hem is per 27 augustus 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant is per 1 april 2000 eervol ontslagen uit zijn functie van docent wegens arbeidsongeschiktheid. In aanvulling op de WAO-uitkering is aan hem vanwege zijn ontslag namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een suppletie toegekend op grond van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA).

1.2. Per 28 februari 2005 bestond geen recht meer op de suppletie wegens het bereiken van de maximale uitkeringsduur. Met ingang van die datum is hem in aanvulling op de WAO-uitkering een invaliditeitspensioen toegekend. Voorts heeft appellant aan het Uwv gevraagd hem met ingang van dezelfde datum een uitkering ingevolge de Werkloosheids-wet (WW) te verstrekken. Bij besluit van 5 september 2005, zoals na bezwaar gehand-haafd bij besluit van 21 februari 2006 (hierna: bestreden besluit), is bepaald dat appellant geen recht heeft op een WW-uitkering. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat appellant niet voldoet aan de zogeheten wekeneis, omdat hij in de 39 weken direct voorafgaande aan zijn werkloosheid niet in ten minste 26 weken heeft gewerkt. Daarbij is uitgegaan van 28 februari 2005 als eerste dag van werkloosheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep zijn partijen het erover eens geworden, en ook voor de Raad staat vast, dat niet de datum waarop de suppletie ten einde liep, maar 1 april 2000 aangemerkt moet worden als de eerste werkloosheidsdag van appellant. Daarvan uitgaande hebben partijen vervolgens hun standpunten nader bepaald. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

3.2. Op 1 april 2000, de eerste werkloosheidsdag van appellant, vielen overheidswerk-nemers op grond van artikel 7 van de WW niet onder de werking van die wet. De overheidswerknemers zijn gefaseerd onder de werking van de wettelijke werknemersverzekeringen gebracht. Voor de vraag of appellant per 28 februari 2005 in aanmerking komt voor een WW-uitkering zal derhalve aan de hand van een samenstel van bepalingen uit de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW) en artikel 7 van de WW moeten worden bezien of, en zo ja op welk moment, de WW op hem van toepassing is geworden. Daartoe dient vastgesteld te worden onder de werking van welke fase appellant gebracht dient te worden. Indien appellant onder de werking van fase 2 valt, zal de WW per 1 januari 2001 of later op hem van toepassing zijn geworden. Indien hij onder de werking van fase 3 valt, zal de WW niet op hem van toepassing zijn geworden, omdat de invoering van die fase voor wat betreft de WW, op grond van het Besluit van 13 juni 2002 (Stb. 2002, 343), geen doorgang heeft gevonden (zie CRvB 27 juni 2005, LJN AT8827).

3.3. Van belang is dan artikel 31 van de OOW, waarin - voor zover hier van belang - is bepaald dat de gewezen overheidswerknemer, bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, onder ten derde, van deze wet vanaf de aanvang van fase 3 van deze wet recht heeft op een uitkering op grond van de WW. Laatstbedoelde bepaling doelt op de gewezen overheidswerknemer die op de dag voorafgaande aan de dag waarop de WW van toepassing wordt op de overheidswerknemer uit hoofde van zijn voormalig dienstverband als overheidswerknemer in het genot is van een wachtgeld. Onder wachtgeld wordt, ingevolge artikel 1, aanhef en onder r, van de OOW, voor zover hier van belang, verstaan een wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeldbesluit 1959, zoals dat luidde op de dag voorafgaande aan de datum waarop de WW ingevolge deze wet op de betreffende overheidswerknemer of gewezen overheidswerknemer van toepassing wordt, of een soort-gelijke uitkering van een overheidswerknemer op grond van ontslag of werkloosheid.

3.4. Naar het oordeel van de Raad is de aan appellant over de periode van 1 april 2000 tot 28 februari 2005 op grond van het BZA verstrekte suppletie, gezien het karakter van die uitkering, aan te merken als een aan het wachtgeld in de zin van het Rijkswachtgeld-besluit 1959 soortgelijke uitkering op grond van ontslag of werkloosheid als hiervoor bedoeld. Hieruit volgt dat appellant zou vallen onder de werking van fase 3 van de OOW, welke fase evenwel voor wat betreft de toepassing van de WW, zoals hiervoor onder 3.2 is geconstateerd, niet in werking is getreden.

3.5. Gelet hierop komt de Raad tot de conclusie dat appellant niet in aanmerking komt voor de door hem per 28 februari 2005 gevraagde WW-uitkering. Nu deze conclusie berust op een geheel andere feitelijke en wettelijke grondslag dan in het bestreden besluit is verwoord, dient dat besluit wegens een onjuiste feitelijke en wettelijke grondslag te worden vernietigd. Gelet op het voorgaande ziet de Raad echter eveneens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

Ter voorlichting van appellant wijst de Raad nog op artikel 5, derde lid, van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), waaruit volgt dat na eindiging van de suppletie die appellant ontving, onder bepaalde voorwaarden, waaraan appellant lijkt te voldoen, recht bestaat op een BWOO-uitkering. Uit de gedingstukken blijkt dat een aanvraag daartoe inmiddels bij het betrokken uitvoeringsorgaan is ingediend.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb. Deze kosten worden begroot op € 322,- in beroep en op € 483,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 805,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant ten bedrage van € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.G. Rottier en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD