Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
07-3736 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Juiste vaststelling medische beperkingen. Geen aanleiding voor het raadplegen van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3736 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 mei 2007, 06/3834 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen derhalve voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.

1.2. Bij besluit van 13 april 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, met ingang van 14 juni 2006 ingetrokken op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) door het Uwv ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3.1. Appellante heeft – kort weergegeven – in hoger beroep volhard in het standpunt dat haar psychische beperkingen op en na de datum in geding, 14 juni 2006, zijn onderschat en dat deze beperkingen haar het hervatten van arbeid belemmeren.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift het ingenomen standpunt gehandhaafd.

4.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad evenmin als de rechtbank redenen te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar functionele mogelijkheden ten tijde hier in geding en maakt deze tot de zijne. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel kunnen doen rijzen aan de juistheid van de door de verzekeringsarts van het Uwv vastgestelde medische beperkingen, neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 14 maart 2006.

4.2. Naar aanleiding van de door appellante in hoger beroep in het geding gebrachte begeleidingsplan van 30 maart 2007 en het voortgangsverslag van 26 juli 2007 van de orthopedagogische gezinsbegeleiding en het schrijven van 20 oktober 2008 van de zenuwarts H. Loen overweegt de Raad het volgende. Het Uwv heeft als verweer op deze stukken allereerst verwezen naar een tweetal reacties van de bezwaarverzekeringsartsen R.A. Admiraal van 17 augustus 2007 en R.F. Seleski van 31 oktober 2008. Deze hebben in hun reacties erop gewezen dat de stukken van de gezinsbegeleiding dateren van na de datum in geding. Bovendien hebben deze stukken vooral betrekking op de kinderen van appellante. Zonder de sociale problemen van appellante te willen bagatelliseren, aldus Admiraal, geeft de inhoud van het begeleidingsplan eens te meer aan dat beslist geen sprake is van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. De brief van

Van Loen bevat volgens Seleski inhoudelijk dezelfde medische informatie als diens brief van 24 oktober 2006, waarop reeds op 5 januari 2007 door Admiraal een inhoudelijke reactie is gegeven. Seleski concludeert dat de ingebrachte medische informatie geen aanleiding geeft om het eerder genomen standpunt te wijzigen. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting geconcludeerd dat aan de door appellante in hoger beroep ingebrachte stukken niet dat gewicht kan worden toegekend, dat appellante daaraan gehecht wenst te zien. De uit die stukken door appellante getrokken medische conclusies worden voorts niet ondersteund door de overigen aanwezige gegevens. Het Uwv heeft dan ook geen aanleiding gezien terug te komen op het ingenomen standpunt. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv. De beschikbare gegevens bevatten voldoende informatie omrent de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding om tot een verantwoord oordeel te komen. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding voor het raadplegen van een deskundige, zoals door appellante is verzocht.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen staat voor de Raad genoegzaam vast dat de bij de schatting betrokken functies binnen de mogelijkheden van appellante liggen.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) T.J. van der Torn.

KR