Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
06-7100 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Minister erkent dat appellante in de periode in geding haar werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst heeft verricht en dat appellante aldus heeft voldaan aan het vereiste ten aanzien van de zogenoemde referteperiode en dat zij in aanmerking komt voor een BWOO-uitkering. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7100 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 november 2006, 06/218 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 22 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Bouwmeester, advocaat te Almere. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets, werkzaam bij Loyalis Maatwerk-administraties.

II. OVERWEGINGEN

1.Voor een uitgebreider overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is van 22 maart 1999 tot en met 16 juli 1999 op basis van een arbeids-overeenkomst in dienst geweest van de Stichting Onderwijsgroep [naam Stichting] te [vestigingsplaats] (hierna: [naam Stichting]). Van 8 november 1999 tot 5 februari 2000 heeft zij gedurende 3 uur per week werkzaamheden voor [naam Stichting] verricht zonder dat daarvoor een schriftelijke overeenkomst is opgesteld. Van 14 februari 2000 tot 16 juli 2000 was zij vervolgens, op basis van een arbeidsovereenkomst, wederom in dienst van [naam Stichting]. De werkzaamheden gedurende deze drie perioden betroffen steeds die van docent.

1.2. Appellante is in verband met ziekte op 4 juni 2000 uitgevallen voor haar werk-zaamheden. In verband daarmee is aan haar met ingang van 17 juli 2000 een zieken-gelduitkering ingevolge het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BZA) toegekend tot uiterlijk 5 december 2001. Aan appellante is per 4 juni 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. In verband met het eindigen van de BZA-uitkering heeft appellante een aanvraag gedaan ter verkrijging van een uitkering op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO), ingaande 5 december 2001. De minister heeft bij besluit van 6 december 2004 appellante die aanspraak ontzegd onder de overweging dat zij niet voldeed aan de in artikel 4, aanhef en onder a, van het BWOO neergelegde eis dat zij in de periode van 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken arbeid heeft verricht. De minister heeft daarbij, in navolging van de mededeling van [naam Stichting], de werkzaamheden in de periode van 8 september 1999 tot 5 februari 2000 als (vrijwilligers)werk aangemerkt dat niet onder het begrip arbeid in de zin van genoemd artikel kon worden begrepen.

1.4. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit en daarbij gesteld dat zij wel voldeed aan het genoemde vereiste. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zij in de periode van 8 september 1999 tot 5 februari 2000 dezelfde werkzaamheden voor [naam Stichting] is blijven verrichten als voorheen en dat [naam Stichting] die werkzaamheden ten onrechte heeft aangeduid als vrijwilligerswerk. De minister heeft bij het thans bestreden besluit van 13 december 2005 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met de minister geoordeeld dat appellante in de periode in geding niet beschikte over een arbeidsovereenkomst en niet kon worden aangemerkt als personeelslid.

2. In hoger beroep heeft appellante haar eerdere stellingen herhaald en gesteld dat zij in de periode in geding wel werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst, dat er sprake was van een gezagsverhouding en dat zij loon ontving voor haar werkzaamheden, zij het niet in de periode dat zij die werkzaamheden verrichtte, maar in de daarop-volgende periode.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Ter zitting heeft de minister het eerder ingenomen standpunt niet langer gehand-haafd. Erkend is dat appellante in de periode in geding haar werkzaamheden op basis van een arbeidsovereenkomst heeft verricht. Tevens heeft de minster erkend dat appellante aldus heeft voldaan aan het vereiste ten aanzien van de zogenoemde referteperiode en dat zij per

5 december 2001 in aanmerking komt voor een BWOO-uitkering.

3.2. Het hoger beroep slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en de minister dient met inachtneming van het voorgaande op het bezwaar van appellante te beslissen.

4. De Raad ziet aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in verband met de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de minister met inachtneming van het voorgaande een beslissing op het bezwaar van appellante neemt;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.G. Rottier en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2009.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD