Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1611

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
07-2750 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2750 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 20 maart 2007, 06/3471 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, (hierna: College)

Datum uitspraak: 20 januari 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is door haar dochter [naam dochter], wonende te [woonplaats], hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. In geschil is of het College appellante bij besluit van 11 augustus 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat appellante bij het maken van bezwaar de ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van zes weken niet in acht heeft genomen en dat niet is gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs geoordeeld kan worden dat appellante niet in verzuim is geweest.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat de dochter van appellante als feitelijk zaakwaarnemer, en derhalve als gemachtigde van appellante, is opgetreden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het door de dochter van appellante ingediende bezwaarschrift na afloop van de bezwaartermijn is ingediend, terwijl niet gebleken is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat zij geruime tijd overspannen is geweest waardoor een aantal administratieve werkzaamheden, waaronder begrepen de correspondentie van haar moeder, is blijven liggen. Naar de mening van de gemachtigde van appellante mag appellante niet de dupe worden van haar nalatigheid.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat eerst na afloop van de bezwaartermijn bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 24 maart 2006, waarin appellante is medegedeeld dat haar uitkering op grond van de Wet werk en bijstand met ingang van 1 november 2004 is ingetrokken en dat de teveel betaalde bijstand over de periode 1 november 2004 tot en met 31 augustus 2005 wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 3.799,99 bruto. Ook de Raad is ter zake niet gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van hetgeen in eerste aanleg is aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd is verworpen. Ook de Raad is van oordeel dat het handelen/nalaten van een gemachtigde dient te worden toegerekend aan degene van wie de belangen worden behartigd. De Raad merkt daarbij nog op dat de gemachtigde van appellante niet met behulp van objectieve (medische) stukken aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de gehele bezwaartermijn van zes weken niet in staat is geweest om ter sauvering van de termijn zelfs maar een pro forma bezwaarschrift in te dienen of een derde in te schakelen om dat voor haar te doen.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

RB