Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
02-02-2009
Zaaknummer
07-4177 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Juiste vaststelling medische beperkingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, nu niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de kant van het Uwv waarop een in rechte als geldig te erkennen beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4177 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 juni 2007, 06/7089

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Katwijk aan Zee, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nog nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vroegindeweij. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als verkoopster voor 30 uren per week. Op 27 september 2001 is zij voor haar werk uitgevallen met rug- en beenklachten. Met ingang van 26 september 2002 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2005 en 2006 heeft in het kader van een herbeoordeling op basis van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante ongeschikt is voor het eigen werk, doch dat zij met inachtneming van haar medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van werkzaamheden in gangbare arbeid, waarvan haar voorbeelden zijn voorgehouden. Bij besluit van 27 februari 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 21 april 2006 ingetrokken op de grond dat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 9 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 27 februari 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het medisch onderzoek door de verzekeringsarts onzorgvuldig te achten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts appellante lichamelijk heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector. De verzekeringsarts heeft op grond van haar bevindingen de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn beoordeling mede betrokken de in bezwaar verkregen medische gegevens en overigens dossieronderzoek verricht, hetgeen de rechtbank in dit geval aanvaardbaar achtte. De bezwaarverzekeringsarts is vervolgens na zijn onderzoek tot de conclusie gekomen dat met de beperkingen van appellante in de FML voldoende rekening is gehouden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellante in beroep geen medische stukken in het geding heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de juistheid van het oordeel van de beide artsen.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting in de daaraan ten grondslag liggende functies past binnen de opgestelde FML. Voor zover sprake is van zogenoemde signaleringen is naar het oordeel van de rechtbank in de diverse arbeidskundige rapportages afdoende gemotiveerd waarom deze geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep volhard in haar stelling dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ten onrechte, zo heeft zij gesteld, heeft de bezwaarverzekeringsarts volstaan met een dossieronderzoek. Voorts acht zij de medische geschiktheid voor de geselecteerde functies door het Uwv onvoldoende gemotiveerd. Tot slot heeft appellante herhaald dat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel nu haar bij brief van 3 maart 2006 is meegedeeld dat zij geen voor arbeid benutbare mogelijkheden heeft.

3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift het in het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vaststelling van de bij appellante bestaande medische beperkingen en haar belastbaarheid voor arbeid ten tijde hier in geding. De door appellante in hoger beroep overgelegde medische stukken, ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkt is dan in de FML is vastgelegd, hebben de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Het huisartsenjournaal van 2 januari 2008 bevat geen gegevens met betrekking tot de datum in geding. Uit de brief van de revalidatiearts van

4 januari 2008 is niet op te maken of en zo ja op welke onderdelen de met betrekking tot appellante vastgestelde beperkingen ten tijde in geding zouden zijn onderschat. De overige brieven van het Rijnlands Revalidatiecentrum bevatten slechts algemene gegevens en geen op de gezondheidstoestand van appellante toegespitste informatie. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat gelet op de in het dossier aanwezige medische gegevens in dit geval niet kan worden gezegd dat het feit dat de bezwaarverzekeringsarts geen eigen medisch onderzoek heeft verricht zodanig afbreuk heeft gedaan aan de zorgvuldigheid van de procedure, dat dit gevolgen zou dienen te hebben voor het bestreden besluit.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen, staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat, gezien de toelichting in de diverse in dit geding aanwezige arbeidskundige rapportages, de bij de schatting betrokken functies binnen de mogelijkheden van appellante liggen.

4.4. Ook het in hoger beroep herhaalde beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, nu niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van de kant van het Uwv waarop een in rechte als geldig te erkennen beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Gelet op de reeds door de arbeidsdeskundige aan appellante gedane mondelinge mededeling dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is, diens schriftelijke bevestiging daarvan bij brief van 20 februari 2006 alsmede het besluit van 27 februari 2006 tot intrekking van de WAO-uitkering met ingang van 21 april 2006 had het voor appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn geweest dat de door haar in deze genoemde brief van 3 maart 2006 op een vergissing berustte.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG