Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1579

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
07-3732 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Juiste vaststelling medische beperkingen. De bij de schatting betrokken functies vallen binnen de mogelijkheden van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3732 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 mei 2007, 06/5920

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Sieben, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sieben. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als inpakster voor 37 uren per week in ploegendienst. In verband met psychische klachten is haar met ingang van 2 september 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Sedert 29 april 2005 is zij werkzaam in een dienstverband op grond van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW).

1.2. In 2005 heeft in het kader van een herbeoordeling met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 april 2006 de WAO-uitkering van appellante herzien en met ingang van 14 juni 2006 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Bij besluit van 11 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 19 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank achtte het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig. De door appellante overgelegde informatie gaf de rechtbank geen aanleiding tot twijfel over de bevindingen van deze artsen. Met betrekking tot de psychische klachten zijn zowel de verzekeringsartsen als de behandelaars uitgegaan van de diagnose depressie. In verband met deze klachten zijn door het Uwv diverse beperkingen aangenomen. Daarbij zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht de persoonlijkheid en de culturele aspecten van de psychische problematiek buiten beschouwing gelaten. In navolging van de verzekeringsartsen was de rechtbank voorts van oordeel dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een urenbeperking. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen aan de toelating van appellante tot de WSW-personenkring niet die betekenis te hechten die appellante eraan gehecht wil zien.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van appellante voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies voldoende is gemotiveerd. Nu eerst in beroep een toereikende arbeidskundige onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, doch aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Met name haar psychische klachten belemmeren haar in het hervatten van werkzaamheden in meer dan 20 uren per week. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij enkele stukken in het geding gebracht waaronder de Rapportage Indicatie Wet sociale werkvoorziening van 10 februari 2006.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad vast dat appellante in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.3. De Raad heeft evenals de rechtbank geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop het bestreden besluit is gebaseerd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank, als neergelegd in de aangevallen uitspraak, die door de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd. De door appellante in hoger beroep overgelegde stukken hebben de Raad niet tot een ander oordeel geleid. De brief van de GGZ van 13 februari 2007 is ook in de procedure bij de rechtbank overgelegd en de daarin vervatte informatie heeft, zoals uit het voorgaande volgt, de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding gegeven tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. In reactie op de in verband met de periodieke herindicatie uitgebrachte rapportage van 10 februari 2006 heeft het Uwv in verweerschrift alle in hoger beroep benadrukte punten uit deze rapportage gemotiveerd weerlegd en in deze rapportage geen aanleiding gezien terug te komen op het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt. De Raad volgt het Uwv hierin. Wat betreft het schrijven van de werkgever van 16 juli 2008 wijst de Raad erop dat in dat schrijven op de gezondheidstoestand van appellante toegespitste medische informatie ontbreekt.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat, gezien de toelichting in de diverse in dit geding aanwezige arbeidskundige rapportages, de bij de schatting betrokken functies binnen de mogelijkheden van appellante liggen.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG