Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-3677 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie op en terugvordering WAO-uitkering. Intrekking en terugvordering toeslag ingevolge de TW. Voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant ten tijde hier van belang werkzaamheden heeft verricht en daarmee inkomsten heeft verworven. Uitgaan van de juistheid van de tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaring. Juistheid van de door het Uwv in aanmerking genomen hoogte van de inkomsten. Geen sprake van dringende redenen af te zien van terugvordering..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3677 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2007, 05/5266

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat in dit geding uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Aan appellant is met ingang van 30 september 1980 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. Met ingang van 1 oktober 2002 is hem een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op zijn WAO-uitkering toegekend, berekend naar de norm voor gehuwden.

1.3. Naar aanleiding van een melding is onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellant betaalde uitkering en toeslag. Daartoe is een onderzoek werknemersfraude gestart, zijn waarnemingen gedaan, hebben getuigen een verklaringen afgelegd en is appellant op 9 februari 2005 verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een Rapport Werknemersfraude van 21 maart 2005 met bijlagen. Op grond hiervan heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant vanaf 1 november 2002 werkzaamheden heeft verricht als schoonmaker en dat de ontvangen inkomsten, die van maand tot maand verschilden, niet in overeenstemming zijn met de theoretische mate van zijn arbeidsongeschiktheid.

1.4. Bij ongedateerd besluit (hierna: primair besluit 1) heeft het Uwv in verband met inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 2002 met betrekking tot de WAO-uitkering van appellant toepassing gegeven aan artikel 44 van de WAO op een wijze als in het besluit is omschreven. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv het recht op toeslag ingevolge de TW van appellant met ingang van 1 november 2002 ingetrokken. Bij besluit van 18 april 2005 (hierna: primair besluit 2) heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 1 november 2002 tot en met 30 april 2005 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de WAO en toeslag ingevolge de TW van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 20.764,73.

1.5. Bij besluit van 5 oktober 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv overwogen dat appellant dient terug te betalen het nettobedrag van de terugvordering, in totaal € 18.769,75.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de verslaglegging van zijn tegenover de sociaal rechercheurs op 9 februari 2005 afgelegde verklaring betwist. Omdat hij tijdens het verhoor zijn leesbril niet bij zich had, heeft hij alvorens de verklaring te tekenen niet kunnen nalezen wat de tekst van de verklaring inhield. Hij hielp alleen maar zijn zoon en daarvoor had hij toestemming gekregen van het Uwv.

3.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt gehandhaafd.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat op grond van de beschikbare gegevens, daarbij met name gelet op de afgelegde getuigenverklaringen en het proces-verbaal van verhoor van appellant op 9 februari 2005, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde hier van belang werkzaamheden heeft verricht als schoonmaker en daarmee inkomsten heeft verworven. De Raad schaart zich achter de overwegingen in de aangevallen uitspraak die de rechtbank, ter onderbouwing van dat oordeel, heeft gegeven. Aan de Raad is niet gebleken van feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat wordt afgeweken van het in de vaste rechtspraak van de Raad neergelegde uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaring wordt uitgegaan. De Raad passeert de – eerst in hoger beroep – aangevoerde grief dat appellant niet wist wat hij ondertekende, reeds omdat appellant niet verplicht was het van de afgelegde verklaring opgemaakte proces-verbaal te ondertekenen. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat het beroep van appellant op de schriftelijke toestemming van de arbeidsdeskundige van het Uwv van 1 februari 2000 faalt nu deze toestemming niet ziet op de onderhavige werkzaamheden.

4.3. De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de desbetreffende arbeidsdeskundige van het Uwv in aanmerking genomen hoogte van de inkomsten. Appellant heeft de hoogte van deze inkomsten ook niet specifiek bestreden. De Raad onderschrijft voorts de berekeningen van deze arbeidsdeskundige en de uitgangspunten die daarbij zijn gehanteerd. Het Uwv heeft derhalve terecht besloten dat de WAO-uitkering met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO over de periode vanaf 1 november 2002 moet worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid als aangegeven in primair besluit 1.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het in 1.4 vermelde besluit van 15 april 2005, zodat de intrekking van het recht op toeslag ingevolge de TW met ingang van 1 november 2002 rechtens vaststaat.

4.5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het Uwv aan appellant over de periode van 1 november 2002 tot 30 april 2005 onverschuldigd uitkering en toeslag heeft betaald. Op grond van de artikelen 57 van de WAO en 20 van de TW is het Uwv gehouden onverschuldigd betaalde uitkering respectievelijk toeslag terug te vorderen, tenzij sprake is van dringende redenen als bedoeld in het vierde lid van die artikelen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, is de Raad niet gebleken van omstandigheden die een dringende reden opleveren in vorenbedoelde zin.

5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG