Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
07-1312 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van rechtens onaantastbaar WAO-besluit. Terughoudende toetsing. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1312 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 25 januari 2007, 06/129

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. J.G.A. Jansen, gehandicaptenadviseur te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. Jansen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 11 juli 2000 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv besloten om de aan appellant toegekende uitkering ingevolgde de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) - welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% - over de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999 wegens door hem genoten inkomsten uit arbeid uit te betalen als ware hij 65 tot 80% arbeidsongeschikt. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2003 heeft het Uwv gehandhaafd het besluit van

14 juni 2001, waarbij het Uwv heeft besloten om de aan appellant toegekende WAO-uitkering over de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 wegens door hem genoten inkomsten uit arbeid uit te betalen als ware hij 65 tot 80% arbeidsongeschikt. Bij uitspraak van de rechtbank van 14 september 2004, 03/1020, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2003 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv op 14 oktober 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij is besloten de toepassing van artikel 44 van de WAO over het jaar 2000 te laten vervallen en appellant onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt te beschouwen.

1.3. Bij brief van 17 oktober 2004 heeft appellant, onder verwijzing naar de onder 1.2 genoemde uitspraak en het besluit van 14 oktober 2004, verzocht terug te komen van het besluit van 11 juli 2000.

1.4. Bij besluit van 15 november 2004 heeft het Uwv afwijzend op dit verzoek beslist, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.5. Namens appellant is beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het uitblijven van een besluit op het in 1.4 bedoelde bezwaar. Bij uitspraak van 4 oktober 2005 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en heeft zij het Uwv opgedragen een besluit op het bezwaarschrift van appellant te nemen.

1.6. Bij besluit van 14 december 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 november 2004 gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd vastgesteld op 80 tot 100%. Met betrekking tot de maanden januari, februari, april, augustus, september en december 1999 heeft het Uwv de WAO-uitkering met toepassing van artikel 44 van de WAO vastgesteld als ware appellant ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

1.7. Hangende beroep heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2006 het bestreden besluit gewijzigd, in die zin dat is besloten dat toepassing van artikel 44 van de WAO over de maand januari 1999 achterwege dient te blijven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover bij besluit van 21 februari 2006 aan de bezwaren van appellant tegemoet is gekomen en heeft zij het beroep voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 4:6 van de Awb in de onderhavige zaak van toepassing is nu betrokkene heeft verzocht terug te komen van het besluit van 5 (lees: 11) juli 2000 en dit verzoek gedeeltelijk is gehonoreerd. In het kader van de toetsing aan artikel 4:6 van de Awb heeft de rechtbank allereerst beoordeeld of betrokkene nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Omdat naar bestendige jurisprudentie een rechterlijke uitspraak niet als zodanig kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank die vraag ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat in de voorliggende situatie, waarin het Uwv tot een inhoudelijke heroverweging is overgegaan en als uitkomst daarvan het verzoek van appellant gedeeltelijk heeft ingewilligd, een volle rechterlijke toetsing zich niet zou verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. In deze situatie is slechts een terughoudende rechterlijke toetsing op haar plaats. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit meebrengt dat het aan verzoeker is aan te geven waarom dat eerdere besluit niet juist zou zijn en van zijn stellingen dienaangaande – uiterlijk in de bezwaarfase – het nodige bewijs te leveren. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellant heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn stelling dat het onaantastbaar geworden besluit – voor zover nog aan de orde – onjuist is, door de rechtbank met inachtneming van wat door haar is overwogen ten aanzien van de bewijslast, inhoudelijk volledig dient te worden getoetst. Indien de uitkomst daarvan mocht zijn dat het eerdere besluit geheel of gedeeltelijk onjuist moet worden geacht, dient zij vervolgens op terughoudende wijze te toetsen of het bestuursorgaan een redelijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om terug te komen van dat besluit. Volledigheidshalve heeft de rechtbank opgemerkt dat, indien de uitkomst van de heroverweging mocht zijn dat het eerdere besluit voor juist kan worden gehouden, een besluit tot weigering daarvan terug te komen, de door haar te verrichten (marginale) toets uiteraard kan doorstaan. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat nog slechts in geschil is of door het Uwv op juiste wijze toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 44 van de WAO over de maanden februari, april, augustus, september en december 1999 en dat het – gelet op de op appellant rustende bewijslast – op zijn weg ligt aan te tonen dat de door het Uwv gehanteerde indexering onjuist is. De enkele stelling van appellant dat deze indexering niet is te plaatsen, is door de rechtbank onvoldoende geacht. Het besluit van 11 juli 2000, voorzover nog in geschil, kan dan ook niet als onjuist worden beschouwd en het Uwv heeft om die reden in redelijkheid kunnen weigeren terug te komen van laatstgenoemd besluit, aldus de rechtbank.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover zijn beroep daarbij ongegrond is verklaard.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Nu appellant tegen het besluit van 11 juli 2000 geen rechtsmiddelen heeft aangewend is het in rechte onaantastbaar geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellant strekt ertoe dat het Uwv van dit eerdere besluit terugkomt. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen er toe heeft geleid dat het Uwv gedeeltelijk is teruggekomen van dat besluit.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit uiteindelijk in verband met het bestreden besluit en het besluit van 21 februari 2006 gedeeltelijk handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk een geval uit te gaan van het oorspronkelijke besluit, voorzover nog is gehandhaafd, en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit, voorzover gehandhaafd, te herzien.

4.3. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, naast de beoordeling van de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden - door beoordeling van de vraag of door het Uwv op de juiste wijze toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 44 van de WAO over de maanden februari, april, augustus, september en december 1999 - ook bezien of appellant feiten of omstandigheden heeft aangedragen die de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit aantonen. Dienaangaande is de Raad van oordeel dat volgens vaste rechtspraak een dergelijke onjuistheid - wat daarvan overigens zij - als zodanig geen rol kan spelen in het kader van de beoordeling van de toepassing van artikel 4:6 van de Awb.

4.4. Het onder 4.3 overwogene leidt in dit geval niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, reeds omdat de rechtbank tevens heeft geoordeeld dat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake is en de Raad zich kan vinden in dat oordeel. Nu niet is gebleken van dergelijke feiten en omstandigheden kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, niet worden gezegd dat het Uww niet in redelijkheid tot het bestreden besluit, voorzover dit niet is gewijzigd bij het bestreden besluit en het besluit van 21 februari 2007, heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.5. De aangevallen uitspraak dient derhalve, deels met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR