Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
07-2370 WWB + 07-2372 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Hoofdverblijf indezelfde woning. Wederzijdse zorg. Geen kostgangersrelatie. Terugvordering en medeterugvordering. Schending inlichtingenverplichting. In het algemeen mag van de juistheid van de tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaringen worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking of nuancering van die verklaringen geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Dat de strafrechter appellant van onder meer de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, is hiet niet van belang. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2370 WWB

07/2372 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 27 maart 2007, 06/3631 en 06/3632 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College).

Datum uitspraak: 8 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

De zaken zijn ter behandeling gevoegd en het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Moes, advocaat te Bergen op Zoom. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 mei 1989 bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 6 april 2000 is appellant bij appellante komen wonen in verband waarmee de toeslag op de bijstandsuitkering van appellante is verlaagd.

1.2. Naar aanleiding van het vermoeden dat appellanten een gezamenlijke huishouding zouden voeren, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn twee huisbezoeken afgelegd en zijn appellanten verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 februari 2005 en zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 11 maart 2005 de bijstand van appellante met ingang van 19 januari 2005 in te trekken.

1.3. Het tegen het besluit van 11 maart 2005 gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij uitspraak van 14 juli 2005 het beroep tegen het besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2006 – voor zover van belang – heeft de Raad de uitspraak van 14 juli 2005 bevestigd. Tegen de uitspraak van de Raad is geen beroep in cassatie ingesteld.

2. Op basis van de onderzoeksresultaten, neergelegd in het voormelde rapport van 2 februari 2005, heeft het College voorts bij besluit van 28 juli 2005 de bijstand van appellante over de periode van 6 april 2000 tot en met 18 januari 2005 ingetrokken en de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 49.324,37 (bruto) en € 382,96 (netto) van haar teruggevorderd. Bij afzonderlijk besluit van 28 juli 2005 heeft het College de over genoemde periode aan appellante verleende bijstand mede van appellant teruggevorderd.

2.1. Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 mei 2006 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 28 juli 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij onder meer overwogen dat appellanten in de periode van 6 april 2000 tot en met 18 januari 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellante daarvan, in strijd met de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) op haar rustende inlichtingenverplichting, aan het College geen mededeling heeft gedaan.

3. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 30 mei 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellanten in de periode van 6 april 2000 tot en met 18 januari 2005 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Voorts heeft de rechtbank, na een opsomming van aan het rapport van 2 februari 2005 ontleende elementen van de door appellanten over en weer verleende zorg, onder meer geoordeeld dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellanten ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw respectievelijk artikel 3, derde lid, van de WWB en dat tussen hen geen sprake was van een kostgangersrelatie.

4. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraken gekeerd, waarbij zij hun in bezwaar en beroep geponeerde stellingen grotendeels hebben herhaald, in het bijzonder hun stelling dat zij ten tijde in geding geen gezamenlijke huishouding voerden maar dat sprake was van een commerciële kostgangersrelatie.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

07/2370 WWB

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellanten ten tijde hier van belang een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

Vaststaat dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Voorts is de Raad met de rechtbank op de door haar aangegeven gronden van oordeel dat ook aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De feiten en omstandigheden, weergegeven in het rapport van de sociale recherche van 2 februari 2005 en vermeld in de aangevallen uitspraken, gaan hetgeen in een zakelijke kostgangersrelatie gebruikelijk is, ver te boven. De Raad ziet geen aanleiding om in deze gevallen af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat in het algemeen van de juistheid van de tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaringen mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of nuancering van die verklaringen geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Ook de stelling van appellante dat de onderhavige besluitvorming in strijd is met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel faalt, reeds omdat appellante een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven omtrent de woon- en leefsituatie van haar en appellant.

5.2. Dat appellanten ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden, betekent dat appellante in de in geding zijnde periode niet kon worden beschouwd als zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

5.3. Nu appellante van de gezamenlijke huishouding geen mededeling heeft gedaan aan het College heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden, zodat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand, verleend in de in geding zijnde periode, in te trekken. Het College voert blijkens de stukken het beleid dat steeds tot intrekking van bijstand wordt overgegaan, behoudens indien sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in afwijking van het beleid geheel of gedeeltelijk van intrekking had moeten afzien.

5.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand, gemaakt in de in geding zijnde periode, van appellante terug te vorderen. Het College voert het beleid dat steeds tot terugvordering wordt overgegaan, behoudens indien sprake is van zeer dringende redenen. Naar het oordeel van de Raad gaat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. De Raad stelt voorts vast dat het College in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van zijn beleid, geheel of gedeeltelijk van terugvordering van appellante had moeten afzien.

07/2372 WWB

6. Ten slotte dient de Raad te beoordelen of ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van de ten onrechte verleende bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Voor de vaststelling dat in dit geding appellant die persoon is, is allereerst van belang het antwoord op de vraag of appellant ten tijde in geding met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in de artikelen 3, derde lid, van de Abw en de WWB.

6.1. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad hiervoor onder 5.1 heeft overwogen, oordeelt de Raad met de rechtbank dat het College appellant terecht heeft aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan appellante rekening had moeten worden gehouden. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De in hoger beroep betrokken stellingen van appellant komen in wezen neer op een herhaling van wat reeds in eerste aanleg naar voren is gebracht en deze zijn door de rechtbank gemotiveerd en op toereikende gronden verworpen.

De omstandigheid dat de strafrechter appellant van onder meer de ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken, doet naar vaste rechtspraak van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

6.2. Uit het voorgaande volgt dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan appellante verleende bijstand in de periode van 6 april 2000 tot en met 18 januari 2005 mede van appellant terug te vorderen. De Raad is niet gebleken dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot medeterugvordering gebruik heeft kunnen maken.

7. Het voorgaande betekent dat de hoger beroepen geen doel treffen en dat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ