Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1272

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
07-1904 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting i.v.m. transactie(s) van auto’s en het in bezit hebben van onroerend goed. Het College heeft terecht met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de in geding zijnde periode ingetrokken en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1904 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 februari 2007, 06/857 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Zwiers, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Zwiers. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sedert 10 november 2000 van het College bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De bijstand is met ingang van 1 augustus 2005 ingetrokken.

1.2. Naar aanleiding van bij het College binnengekomen informatie dat appellante een huis in Polen in eigendom heeft, in Almere met een Poolse man samenwoont en regelmatig in Polen verblijft heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 17 augustus 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 18 augustus 2005 de bijstand van appellante over de periode van 14 februari 2001 tot en met 31 juli 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 50.340,29 van appellante terug te vorderen.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 13 februari 2006 heeft het College het besluit van 18 augustus 2005 onder wijziging van de motivering gehandhaafd. Volgens het College heeft appellante de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat zij over onroerend goed in Polen beschikt en in auto’s heeft gehandeld, door te melden dat [N.] eerst per 19 mei 2004 bij haar inwoont terwijl hij al veel eerder zijn hoofdverblijf had op haar adres en door onvoldoende inzicht te verschaffen in de herkomst van de bedragen (in totaal € 8.873,65) die in de periode van januari 2001 tot maart/april 2005 op haar bankrekening zijn gestort. Als gevolg van die schendingen van de inlichtingenverplichting kan niet meer worden vastgesteld of appellante over de periode van 14 februari 2001 tot en met 31 juli 2005 recht heeft op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt, gelet op het verhandelde ter zitting, vast dat tussen partijen de intrekking van de bijstand over de periode van 19 mei 2004 tot 31 juli 2005 niet (langer) in geschil is. Dat betekent dat met betrekking tot de intrekking van de bijstand de periode van 14 februari 2001 tot 19 mei 2004 ter beoordeling voorligt.

4.2. Vaststaat dat blijkens de kentekenregistratie van de Dienst Wegverkeer in de hier te beoordelen periode 19 kentekens op naam van appellante hebben gestaan. De meeste daarvan stonden gedurende een betrekkelijk korte periode op haar naam. Appellante heeft op 9 augustus 2005 tegenover de sociale recherche verklaard dat zij de betreffende auto’s aan particulieren heeft verkocht. Ook de Raad gaat daarvan uit. Voorts is aannemelijk dat de datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellante staat de datum is waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellante dat de autohandel niet door haar maar door [N.] werd gedreven, dat zij slechts zijdelings bij die handel betrokken is geweest en dat zij geen inkomsten uit autohandel heeft genoten. Appellante heeft deze stelling immers niet onderbouwd aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens.

4.3. Appellante heeft van de transacties, die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening van bijstand, aan het College geen mededeling gedaan. De Raad is dan ook van oordeel dat appellante in de maanden waarin transactie(s) van auto’s hebben plaatsgevonden, de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over de met de transacties verworven inkomsten ontbreken, kan over die maanden niet meer worden vastgesteld, of en zo ja in welke mate, appellante verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellante op 13 januari 1998 in de stad [naam stad] in Polen een perceel van 882 m² bebouwd met een eengezinswoning in eigendom heeft verworven. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante dit onroerend goed gedurende de hier te beoordelen periode niet langer in eigendom had. Appellante heeft haar stelling dat zij het perceel na enkele jaren van de hand heeft gedaan niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd, ofschoon zij daartoe door het College in de gelegenheid is gesteld. Gelet daarop gaat de Raad ervan uit dat appellante het betreffende onroerende goed gedurende de gehele hier te beoordelen periode in eigendom heeft gehad.

4.5. Appellante heeft van de eigendom van het onroerend goed aan het College geen mededeling gedaan. Het gaat om gegevens die onmiskenbaar van belang kunnen zijn voor de verlening van de bijstand. Appellante heeft dan ook de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. De stelling van appellante dat zij destijds geen melding heeft gemaakt van de betreffende onroerende zaak omdat deze, gelet op de daarop rustende hypotheekschuld, geen positief vermogen opleverde maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de Raad kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting de waarde van de woning gedurende de hier te beoordelen periode niet (meer) worden bepaald. Dat betekent dat evenmin kan worden vastgesteld of appellante gedurende die periode recht had op bijstand. De niet nader onderbouwde stelling van appellante dat de enkele jaren na de aankoop afgebroken woning op het perceel een krot was en dat zij na verkoop van het perceel met een restschuld is blijven zitten, levert onvoldoende indicaties op om de waarde van de betreffende onroerende zaak alsnog te bepalen.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 14 februari 2001 tot 19 mei 2004 in te trekken. De vraag of het College ook op de andere door het College gehanteerde gronden bevoegd was de bijstand van appellante over die periode in te trekken behoeft derhalve geen bespreking meer. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Met hetgeen ten aanzien van de intrekking is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van bijstand over de periode van 14 februari 2001 tot en met 31 juli 2005 van appellante terug te vorderen. De Raad stelt vast dat het College heeft besloten overeenkomstig zijn door de Raad niet onredelijk geachte beleid inzake terugvordering. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht geheel of ten dele van dat beleid had moeten afwijken.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

IJ