Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1266

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
07-2100 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering, omdat appellant onjuiste informatie inzake zijn woonadres heeft verstrekt. Bepaalde periode. Het bijstandverlenende orgaan dient, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, daartoe over te gaan en is er geen plaats voor de intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aannemelijk dat appellant hoofdverblijf hield op bij College bekend adres. Ondeugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2100 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 maart 2007, 06/10007 en 07/1096 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 8 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het geding is behandeld op de zitting van 16 oktober 2008. Appellant, daartoe opgeroepen, is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. Het College, opgeroepen om bij gemachtigde te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is met ingang van 1 juli 2005 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 14%. Appellant was bij het College bekend op [adres 1], op welk adres ook de moeder van appellant ten tijde in dit geding van belang woonachtig was.

1.2. Op 15 november 2006 en op 21 november 2006 hebben twee medewerkers van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten een onaangekondigd huisbezoek op de [adres 1] afgelegd. Zij zijn te woord gestaan door de moeder van appellant, die verklaarde dat appellant niet meer bij haar woonde en die de woning heeft laten bezichtigen.

1.3. Appellant is bij brief van 21 november 2006 uitgenodigd voor een gesprek op 24 november 2006, aan welke uitnodiging hij gehoor heeft gegeven. Desgevraagd heeft hij in eerste instantie verklaard te wonen op het bij het College bekende adres. Geconfronteerd met het feit dat hij blijkens de afschriften van zijn rekening steeds geld opneemt bij een automaat aan de [adres 3], heeft hij vervolgens verklaard dat hij sinds 25 augustus 2006 op het adres [adres 2] verblijft. Dat verblijf zou tijdelijk zijn in verband met houtworm in de vloer van de woning aan de [adres 1].

1.4. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het College de bijstand met ingang van 1 december 2006 beëindigd (ingetrokken) op de grond dat appellant onjuiste informatie inzake zijn woonadres heeft verstrekt.

1.5. Bij besluit van 8 februari 2007 is het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover van belang - heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 februari 2007 ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft daartoe in het bijzonder overwogen dat appellant, gelet op met name zijn eigen op 24 november 2006 afgelegde en ondertekende verklaring die inhoudt dat hij sinds 25 augustus 2006 verblijft op het adres [adres 2], zijn inlichtingenverplichting omtrent zijn woonsituatie niet is nagekomen, en geoordeeld dat het College terecht met toepassing van de artikelen 17 en 11 van de WWB de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 december 2006 heeft ingetrokken.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 1 tot en met

4 december 2006.

4.2. Het College heeft, met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de WWB, de bijstand van appellant ingetrokken op de grond dat deze zijn inlichtingenverplichting aangaande zijn woonsituatie heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet meer kon worden vastgesteld.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie ondermeer de uitspraak van 20 september 2007, LJN BB6243) dient het bijstandverlenende orgaan, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld, daartoe over te gaan en is er geen plaats voor de intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.4. Appellant heeft in bezwaar, in beroep en ook in hoger beroep betoogd dat zijn verblijf in de woning op het adres [adres 2] tijdelijk was, dat hij op of enkele dagen na het gesprek op 24 november 2006 op de Dienst Sociale Zaken zijn intrek weer heeft genomen op de [adres 1] en dat hij daar zijn hoofdverblijf in elk geval vanaf 28 november 2006 weer heeft.

4.5. De Raad stelt vast dat dit betoog van appellant wordt bevestigd door een aantekening op 28 november 2006, om 8.25 uur, in de voortgangsrapportage van de Thuiszorgorganisatie (die zorg draagt voor de moeder van appellant) luidend: “Zoon [naam zoon] woont voorlopig weer bij zijn moeder.”. Tevens is van de zijde van de Thuiszorgorganisatie op 29 januari 2007 onder meer verklaard dat appellant een tijdje is weggeweest maar sinds een paar maanden weer inwonend is bij zijn moeder.

4.6. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden acht de Raad het genoegzaam aannemelijk dat appellant ten tijde in dit geding van belang, de periode van 1 tot en met 4 december 2006, zijn hoofdverblijf (weer) had op het bij het College bekende adr[adres 1]. Dit betekent dat het besluit van 8 februari 2007 op een ondeugdelijke motivering berust zodat het wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarin het voorgaande niet is onderkend, komt, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de voorzieningenrechter van de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 8 februari 2007 vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 4 december 2006 te herroepen nu dat besluit op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust als het besluit van 8 februari 2007.

5. Het verzoek van appellant om vergoeding van schade komt voor zover dat toeziet op wettelijke rente voor toewijzing in aanmerking. Voor de wijze van berekening van de wettelijke rente verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 14 november 2006, LJN AZ3290.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op

€ 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 662,10 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en vervoerskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 februari 2007;

Herroept het besluit van 4 december 2006;

Veroordeelt de gemeente ’s-Gravenhage tot schadevergoeding als in rubriek II aangegeven;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellant ten bedrage van in totaal € 1.950,10, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.

(get.) R. C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

IJ