Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
07-3763 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering i.v.m. verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3763 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 mei 2007, 06/4353 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College).

Datum uitspraak: 13 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2008. Voor appellant is verschenen mr. Toxopeus. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten.

1.1. Appellant ontving met ingang van 22 september 2000 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant meerdere dagen per week van 16.00 uur tot 21:30 uur werkzaamheden in de keuken en als bezorger bij Pizzeria [naam Pizzeria] te [vestigingsplaats] verricht, heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Zoetermeer onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan en zijn appellant, zijn echtgenote en getuigen gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 december 2005.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 12 december 2005 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2005 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 21.657,57 van appellant terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 25 april 2006 heeft het College het tegen het besluit van 12 december 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 april 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, als neergelegd in het rapport van 14 december 2005, toereikend zijn voor de conclusie dat appellant ten tijde hier van belang op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de eerdergenoemde pizzeria te [vestigingsplaats] en dat hij die werkzaamheden en de daarmee verband houdende inkomsten niet aan het College heeft opgegeven.

4.2. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de door de getuigen tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, waarvan met name de verklaringen van [G.], [S.] en [B.], welke aan hen zijn voorgelezen en door hen zijn ondertekend. Genoegzaam is daaruit naar voren gekomen dat appellant gedurende de gehele periode in geding met een zekere regelmaat werkzaam was in de keuken en als bezorger van de pizzeria. De activiteiten van appellant moeten als op geld waardeerbare werkzaamheden worden aangemerkt. De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de niet onderbouwde stelling van appellant dat de foto van appellant niet aan de getuigen is getoond. Voorts is de verklaring van [B.], anders dan appellant stelt, naar het oordeel van de Raad niet innerlijk tegenstrijdig. Uit zijn verklaring blijkt duidelijk dat met de zin “ Hij werkte wel in de pizzeria maar niet echt.” niets anders wordt bedoeld dan dat hij (appellant) geen vaste tijden had. Ten slotte heeft de Raad in dit verband van belang geacht dat appellant zelf heeft verklaard dat hij af en toe wel eens een beetje meehielp en dat hij, als het heel erg druk was, wel eens een pizza bezorgde. Aan de stelling van appellant dat hij alleen maar voor de gezelligheid in de pizzeria aanwezig was gaat de Raad in het licht van het vorenstaande voorbij.

4.3. Doordat appellant van zijn werkzaamheden niet onverwijld mededeling aan het College heeft gedaan, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu appellant ook nadien aan het College terzake geen helderheid heeft verschaft, is onzekerheid blijven voortbestaan over de precieze omvang van de werkzaamheden van appellant en het inkomen dat hij daarmee heeft verdiend dan wel redelijkerwijs had kunnen verdienen, waardoor niet kan worden vastgesteld of appellant nog verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.

4.4. Het College is op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2005 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Het vorenstaande brengt mee dat aan appellant over de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 april 2005 ten onrechte bijstand is verleend. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is het College bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

4.6. Nu het beroep ongegrond is verklaard en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd, is er voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.E. Giesen.

OA