Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH1006

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
07-1566 en 07-1768 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Naar het oordeel van de Raad bestaan er voldoende aanknopingspunten voor de stelling van appellante, dat zij reeds op 18 januari 2006 duidelijke beperkingen had aan haar rechterarm en -hand, die het gevolg waren van een rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van een ziekte. Aan het nadere besluit ligt dezelfde medische beoordeling ten grondslag als aan het eerdere besluit. Aangezien die beoordeling door de Raad gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet juist is geacht, kan ook het nadere besluit niet in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1566 en 07/1768 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 februari 2007, 06/2310 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op 22 maart 2007 een nader besluit genomen en een afschrift daarvan aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 12 december 2008. Appellante is niet verschenen en heeft de Raad daarvan tevoren op de hoogte gesteld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft fulltime gewerkt als administratief medewerkster en is op 6 april 1997 uitgevallen nadat zij met skeeleren was gevallen en een gecompliceerde linker pols breuk had opgelopen. In verband daarmee ontvangt zij sinds 6 april 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 17 november 2005 heeft het Uwv per 18 januari 2006 de WAO-uitkering van appellante herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35. Bij besluit van 23 maart 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante in staat wordt geacht om met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar verlies aan verdiencapaciteit is afgenomen naar ongeveer 33%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 23 maart 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op de bezwaren van appellante te nemen. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen en beslissingen genomen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de arbeidsbeperkingen die voor appellante zijn opgenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 22 september 2005, waarin geen specifieke beperkingen zijn opgenomen voor de rechterhand of -arm van appellante. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat niet op voorhand duidelijk is dat de aan appellante geduide functies met hoofdzakelijk de rechterhand of -arm uitgeoefend kunnen worden, en dat de linkerhand of arm niet meer hoeft te doen dan ondersteunen. In dat opzicht acht de rechtbank het besluit onvoldoende gemotiveerd.

3.1. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht geen beperkingen voor haar rechterhand en -arm heeft opgenomen in de FML. Zij acht zich daarbij gesteund door de in de beroepsfase overgelegde rapportage van de medisch adviseur J.H.C.M. Fouchier en door de informatie van haar huisarts.

3.2. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en heeft ter uitvoering daarvan op 22 maart 2007 een nieuw besluit genomen en de bezwaren van appellante opnieuw ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapportage d.d. 13 februari 2007 ten grondslag, waarin door de bezwaararbeidsdeskundige nader wordt gemotiveerd dat de functies keukenverkoper (SBC code 517061), parkeercontroleur (342022) en bode-bezorger (315140) door appellante met de voor haar vastgestelde beperkingen, moeten kunnen worden uitgeoefend.

4.1. Ten aanzien van het hoger beroep van appellante overweegt de Raad als volgt. Ter beoordeling is of de arbeidsbeperkingen van appellante, zoals die zijn opgenomen in de FML van 22 september 2005, juist zijn en met name of daarbij terecht geen beperkingen zijn opgenomen die verband houden met de klachten die appellante stelt te hebben met betrekking tot het functioneren van haar rechterhand en -arm op de voor dit geding relevante datum 18 januari 2006.

4.1.1. Appellante heeft op het vragenformulier van 12 september 2005 aangegeven dat zij ook regelmatig klachten rechts heeft, die herstellen als zij een tijdje niets doet. Zij is op 22 september 2005 op het spreekuur onderzocht door de arts J.N.M. van Gent-Martinet. Deze noteert in haar rapport dat zij aan de rechterarm van appellante geen bijzonderheden heeft geconstateerd. Zij meent dat de eerder op 10 april 2003 vastgestelde beperkingen van appellante, ook ten tijde van haar onderzoek, ongewijzigd zijn.

4.1.2. De bezwaarverzekeringsarts S. Gommers heeft appellante op zijn spreekuur van 13 februari 2006 gezien, waar appellante hem heeft verteld dat zij sedert een jaar ook rechts klachten heeft; hij heeft echter geen duidelijke afwijkingen aan de rechterarm kunnen vinden. De bezwaarverzekeringsarts beschikt dan tevens over een adviesrapport van de aan Groot Klimmendaal verbonden arbeidsrevalidatie-therapeut P. Wiltink van 8 februari 2006. Appellante is in december 2005 en januari 2006 onderzocht op de afdeling arbeidsrevalidatie. In het rapport wordt onder meer aangegeven dat sinds kort ook sprake is van dystrofische klachten in de rechterarm. De bezwaarverzekeringsarts heeft bovendien op 1 maart 2006 telefonisch contact gehad met de huisarts van appellante, die hem dan vertelt dat hij de klachten van appellante met betrekking tot haar rechterarm niet heeft kunnen objectiveren. De bezwaarverzekeringsarts leidt uit al deze informatie af dat aan de rechterarm geen objectieve afwijkingen gevonden kunnen worden en dat er daarom geen reden bestaat om meer beperkingen in de FML op te nemen.

4.1.3. In beroep heeft appellante een brief van haar huisarts van 12 mei 2006 overgelegd, waarin deze noteert dat appellante recent het spreekuur heeft bezocht met klachten van haar rechterhand en -arm en voorts dat de symptomen waren: een dikke, zwetende rechter hand, pijnlijk tot in bovenarm en stijf o.a. door oedeem. Namens appellante is voorts overgelegd een verslag van een door de medisch adviseur van de gemachtigde van appellante, de arts J.H.C.M. Fouchier, verricht dossieronderzoek. Hij meent dat er wel degelijk aanleiding is ernstig rekening te houden met (beginnende) dystrofische klachten aan de rechterarm welke duidelijk afhankelijk zijn van de zwaarte en duur van de belasting en hij vindt voor deze visie steun in de observaties in Groot Klimmendaal.

4.1.4. De bezwaarverzekeringsarts ziet geen reden om de FML te wijzigen. Hij meent dat het goed mogelijk is dat de observatie van de huisarts van medio mei 2006, die afwijkt van de observatie die de huisarts hem op 1 maart 2006 mededeelde, er op duidt dat de rechterarmklachten pas ruim na de voor dit geding relevante datum, 18 januari 2006, te objectiveren zijn en tot beperkingen hebben geleid.

4.1.5. De Raad kan zich, alles afwegende, niet vinden in deze benadering van de bezwaarverzekeringsarts. Naar het oordeel van de Raad bestaan er voldoende aanknopingspunten voor de stelling van appellante, dat zij reeds op 18 januari 2006 duidelijke beperkingen had aan haar rechterarm en -hand, die het gevolg waren van een rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van een ziekte. Daarbij heeft de Raad ook betrokken dat in enige mate in de FML er rekening mee is gehouden dat appellante aan de rechterzijde niet te veel belast mag worden, doordat beperkingen zijn opgenomen voor beide armen voor de aspecten trillingsbelasting, het werken met toetsenbord en muis en frequent zware lasten hanteren. De Raad gaat er echter van uit dat ook de bezwaarverzekeringsarts, in ieder geval door de informatie van de huisarts van 12 mei 2006, meent dat appellante enige maanden na 18 januari 2006 meer beperkingen heeft van haar rechterarm en -hand, dan in de FML zijn opgenomen. Naar het oordeel van de Raad zijn er voldoende aanwijzingen dat deze beperkingen met een zekere mate van waarschijnlijkheid ook reeds aanwezig waren, al of niet aan de oppervlakte zichtbaar, op 18 januari 2006. Mogelijke twijfel hieromtrent mag naar het oordeel van de Raad niet ten nadele van appelante komen.

4.2. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 23 maart 2006 niet berust op een deugdelijke medische grondslag en dat het hoger beroep van appellante slaagt.

4.3. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv op 22 maart 2007 een nieuw besluit genomen en opnieuw beslist dat de bezwaren van appellante tegen het primaire besluit van 17 november 2005 geen doel treffen. Dit besluit dient de Raad met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze procedure te betrekken. Het beroep van appellante wordt daarom geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

4.4. Aan dit besluit ligt dezelfde medische beoordeling ten grondslag als aan het besluit van 23 maart 2006. Aangezien die beoordeling door de Raad gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet juist is geacht, kan ook het besluit van 22 maart 2007 niet in stand blijven.

5. Nu bij de aangevallen uitspraak het besluit van 23 maart 2006 is vernietigd en het Uwv is opgedragen een nieuw besluit te nemen, dient gelet op het vorenoverwogene die uitspraak te worden bevestigd, zij het met verbetering van gronden. Het beroep van appellante tegen het besluit van 22 maart 2007 is gegrond en dat besluit zal worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen op de bezwaren van appellante, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, door de Raad begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 maart 2007 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.C.A. Wit.

KR