Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0993

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
07-5319 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hardheidsclausule: de bedoeling van de wetgever is onmiskenbaar geweest de termijn waarover studiefinanciering kan worden verstrekt, te beperken tot 10 jaar te rekenen vanaf de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is verstrekt.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 11.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5319 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 juli 2007, 07/261 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 16 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn vader [naam vader van appellant], hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. P.E. Meerema.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 18 december 2006 – waarbij de IB-Groep, beslissend op bezwaar, heeft gehandhaafd haar besluit dat appellant als gevolg van het verstrijken van de maximale termijn waarover studiefinanciering kan worden verstrekt per 1 september 2007 geen recht meer heeft op studiefinanciering – ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft zich in hoger beroep niet gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de IB-Groep bij het besluit van 18 december 2006 terecht tot de opvatting is gekomen dat de maximale termijn waarover studiefinanciering kan worden verstrekt per 1 september 2007 is verstreken. Het hoger beroep richt zich slechts tegen het oordeel van de rechtbank dat de IB-Groep in de bijzondere omstandigheden van dit geval geen aanleiding heeft behoeven te vinden om met toepassing van de hardheidsclausule als opgenomen in artikel 11.5 van de Wet Studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) appellant ook na 1 september 2007 in aanmerking te brengen voor studiefinanciering.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. In artikel 11.5 van de WSF 2000 is door de wetgever aan de IB-Groep de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Volgens constante rechtspraak biedt deze hardheidsclausule de IB-Groep niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken op een in de WSF 2000 opgenomen wettelijke bepaling, indien de onverkorte toepassing van die wettelijke bepaling in het concrete geval in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet.

3.3. In het geval van appellant doet zich zo’n situatie voor waarin artikel 11.5 van de Wsf 2000 geen mogelijkheid biedt tot afwijking van een wettelijke bepaling. De bedoeling van de wetgever is onmiskenbaar geweest de termijn waarover studiefinanciering kan worden verstrekt, te beperken tot 10 jaar te rekenen vanaf de maand waarover voor het eerst studiefinanciering is verstrekt. Dat appellant, zoals hij zelf heeft aangegeven, in 1997 een valse studiestart heeft gemaakt, slechts zeer kort heeft gestudeerd, slechts zeer kort studiefinanciering heeft genoten en destijds heeft aangeboden de genoten studiefinanciering terug te betalen, maakt dit niet anders.

3.4. De rechtbank is gelet op de overwegingen 3.2 en 3.3 terecht tot het oordeel gekomen dat de door appellant ingediende gronden tegen de in het besluit van 18 december 2006 vervatte weigering van de IB-Groep om toepassing te geven aan artikel 11.5 van de Wsf 2000 niet slagen.

3.5. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C. Palmboom.

TM