Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2009
Datum publicatie
29-01-2009
Zaaknummer
07-2382 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring terugvordering. Verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van WAO-uitkering vangt aan op het moment dat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. Geen stuitingshandelingen. Bestreden beluit aanmerken als eerste terugvorderingshandeling, terwijl meer dan 5 jaren zijn verstreken tussen bekend worden met de bewuste feiten en het bestreden besluit. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/2382 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2007, 06/1151

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.V. Dijksma, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2008. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

F. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 mei 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 januari 1994 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 21 november 2005 heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 13.524,14 teruggevorderd aan onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 mei 1999.

1.2. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 mei 2003 niet ontvankelijk verklaard. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 november 2005 is bij besluit van 24 februari 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant op verjaring van de vordering van het Uwv verworpen en vastgesteld dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO die voor het Uwv aanleiding hadden moeten zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De rechtbank heeft onder gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit zelf in de zaak voorzien en de terugvordering over de periode van 1 augustus 1996 tot 1 mei 1999 vastgesteld op het bedrag van € 12.774,39 waartoe het Uwv – zoals meegedeeld ter zitting – de vordering op appellant wenste te beperken.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep naar voren gebrachte stellingen herhaald en met betrekking tot zijn beroep op verjaring gesteld dat de verjaring van de terugvordering is aangevangen in 1998 met het opstellen van het rapport werknemersfraude. Het Uwv heeft het standpunt gehandhaafd dat van verjaring geen sprake is omdat het besluit van 21 november 2005 is genomen binnen 5 jaar nadat het Uwv met een Rapportage algemeen van 23 april 2003 bekend is geworden met het feit dat onverschuldigd werd betaald.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Op grond van het bepaalde in artikel 3:309 BW verjaart de rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel van het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. Zoals de Raad onder andere in een uitspraak van 28 maart 2007, LJN BA2284, heeft overwogen, vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van WAO-uitkering aan op het moment dat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt.

4.3. De Raad deelt niet de, wel door de rechtbank onderschreven, opvatting van het Uwv dat eerst met de Rapportage algemeen van 23 april 2003 sprake was van bekendheid van het Uwv met feiten of omstandigheden die tot herziening van de uitkering van appellant en terugvordering van teveel betaalde uitkering aanleiding gaven.

4.4. Met het Rapport werknemersfraude van 3 augustus 1998 was het Uwv ervan op de hoogte dat appellant naast het door hem op de jaarlijkse inlichtingenformulieren vermelde loon ook een fooi ontving van gemiddeld fl. 200,- per maand. In een Overdrachtsformulier Inkomstenonderzoek (loondienst) van 28 juni 2000 heeft H.M.B. Förster, medewerker beheer bij het Uwv, naar aanleiding van het Rapport werknemersfraude een intern verzoek gedaan om vast te stellen of de inkomsten van appellant aanleiding gaven tot (onder meer) verlaging van zijn uitkering. Dat aan dit verzoek eerst uitvoering is gegeven met de Rapportage algemeen van 23 april 2003, waarin – met een loon van fl. 699,30 bruto per maand vermeerderd met een fooiengeld van fl. 200,- bruto per maand en een geïndexeerd maatmanloon – een mate van arbeidsongeschikt tussen 65 en 80% wordt berekend, doet naar het oordeel van de Raad niet af aan het feit dat het Uwv in ieder geval ten tijde van het verzoek van Förster bekend was met inkomensgegevens die tot herziening van de uitkering en een daarmee samenhangende terugvordering aanleiding gaven. De Raad stelt vast dat Förster op het Overdrachtsformulier al noteerde: ‘Afgezet tegen het maatmanloon valt belh. 1 klasse terug!’. Dat hij een andere berekening maakte dan uiteindelijk de grondslag vormde voor het herzieningsbesluit van 2 mei 2003 acht de Raad niet van belang. Voor de in het kader van de verjaring van belang zijnde bekendheid is van doorslaggevende betekenis dat de inkomensgegevens vermeld in de Rapportage algemeen van 23 april 2003 niet anders zijn dan die Förster in het Overdrachtsformulier noemde. Naar het oordeel van de Raad was het Uwv, zo al niet in augustus 1998, in ieder geval in juni 2000 bekend met het feit dat appellant had nagelaten opgave te doen van inkomsten van zodanige omvang dat een besluit omtrent terugvordering in de rede lag.

4.5. De Raad stelt vast dat het bestreden besluit als eerste terugvorderingshandeling moet worden aangemerkt. Het Uwv heeft de Raad ook desgevraagd geen daaraan voorafgaande stuitingshandeling kunnen aanwijzen. Tussen de door de Raad aangenomen bekendheid van het Uwv in juni 2000 en het bestreden besluit zijn meer dan vijf jaren verstreken. Dat betekent dat de vordering van het Uwv uit hoofde van onverschuldigde betaling is verjaard.

4.6. Het vorenstaande brengt mee dat de overige grieven van appellant onbesproken kunnen blijven.

4.7. De rechtbank heeft de terugvordering ten onrechte tot een bedrag van € 12.774,39 in stand gelaten. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal doen wat de rechtbank had behoren te doen en zelf in de zaak voorzien door het besluit van 21 november 2005 te herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 24 februari 2006;

Herroept het besluit van 21 november 2005;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en

M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.C.A. Wit.

KR