Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
08-6056 WWB + 08-6058 WWB-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Intrekking bijstand: Niet voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander. De omstandigheid dat verzoeker binnen zes maanden na het besluit tot intrekking van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning een verzoek om voortgezet verblijf heeft ingediend, maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6056 WWB

08/6058 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 27 augustus 2008, 08/696 en 08/697 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoeker heeft mr. Van Asperen tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2008. Voor verzoeker is verschenen mr. Van Asperen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker, die de Turkse nationaliteit bezit, ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

2.2. Bij besluit van 18 maart 2008 is de bijstand van verzoeker met ingang van 7 februari 2008 ingetrokken omdat verzoeker met ingang van die datum niet langer met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.

2.3. Bij besluit van 15 juli 2008 is het bezwaar tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 15 juli 2008 ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

4. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat verzoeker niet kan worden aangemerkt als een met een Nederlander gelijkgestelde vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB. Verzoeker heeft immers de Turkse nationaliteit en houdt geen rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de vreemdelingenwet 2000 (VW 2000).

5.2. Op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna: het Besluit) wordt voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden, vóór de beëindiging van het rechtmatig verblijf een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, en l, van de Vw 2000. Deze gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist.

5.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat ervan uit, dat verzoeker tot 31 mei 2005 beschikte over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenote” en dat de intrekking van deze verblijfsvergunning bij besluit van 17 november 2006 door de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 2008, nr. 200708457/1, in rechte onaantastbaar is geworden.

5.4. Verzoeker heeft op 11 mei 2007 bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een aanvraag om voortgezet verblijf ingediend met als doel arbeid in loondienst op grond van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EG-Turkije. Dit verzoek is bij besluit van 13 maart 2008 afgewezen en het tegen deze afwijzing gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 oktober 2008 ongegrond verklaard. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij met een Nederlander gelijkgesteld dient te worden omdat hij binnen een redelijke termijn van zes maanden na het besluit van 17 november 2006 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning om voortgezet verblijf heeft verzocht.

5.5. Met de voorzieningenrechter van de rechtbank en het College is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit standpunt van verzoeker niet kan worden gevolgd. Verzoeker heeft immers niet voor het einde van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfstitel een aanvraag om voortgezet verblijf ingediend, evenmin is er sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de WWB en artikel 1 van het Besluit. De omstandigheid dat verzoeker binnen zes maanden na het besluit tot intrekking van zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning een verzoek om voortgezet verblijf heeft ingediend, maakt dit niet anders. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 maart 2007 (LJN BA1926) nog het volgende. Daargelaten de vraag of het verzoek om voortgezet verblijf binnen de redelijke termijn van zes maanden genoemd in de Vreemdelingencircualire 2000, onder B1/5.1, is ingediend, heeft dit volgens die circulaire slechts gevolgen voor de wijze van toetsing van dat verzoek. De voorzieningenrechter acht daarbij tevens van belang dat bij een eventuele inwilliging van dat verzoek de verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht zal worden verleend.

5.6. In hetgeen overigens door verzoeker is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor een andersluidend oordeel.

5.7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5.8. Voor de door verzoeker gevraagde schadevergoeding bestaat, gelet op het voorgaande, geen ruimte. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

IJ