Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0872

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
07-2515 WWB + 07-2516 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting, intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Onbevoegdelijk genomen besluiten. Schending inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Onduidelijke geldstromen tussen appellant en zijn vader. Met geld van zijn vader heeft appellant duurzame gebruiksgoederen aangeschaft. De vooronderstelling is gerechtvaardigd dat die goederen aan appellanten toebehoren en dat het aan hen is om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2515 WWB

07/2516 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 30 maart 2007, 06/2396 en 06/2397 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het Dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, Gemeentelijk Collectief voor Werk, Inkomen & Zorg te Nuth (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 6 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J.E. Spauwen, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2008. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Spauwen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens, werkzaam bij het openbaar lichaam Kompas.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen vanaf 20 juli 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Op 11 april 2006 heeft een medewerker van een re-integratiebedrijf aan de sociale recherche meegedeeld dat appellant hem had verteld dat zijn vader geregeld geld vanuit zijn land van herkomst heeft gestuurd waarvan appellant onder meer een plasma-televisie en een wasmachine zou hebben gekocht.

1.3. Naar aanleiding hiervan is door de sociale recherche op 25 april 2006 in de woning van appellanten een huisbezoek afgelegd. In het hiervan opgemaakte rapport is vermeld dat opviel dat de woning van appellanten erg luxe was ingericht en dat appellant heeft verklaard dat hij deze spullen van zijn in Rusland woonachtige vader had gekregen.

In een verhoor op 1 mei 2006 heeft appellant verklaard dat zijn vader alle duurzame gebruiksgoederen in zijn woning voor hem heeft gekocht.

1.4. Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het Dagelijks Bestuur met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB de bijstand met ingang van 1 april 2006 opgeschort en appellanten de gelegenheid gegeven voor 8 mei 2006 de facturen van alle duurzame gebruiksgoederen aan de sociale recherche te overhandigen. Bij brief van 10 mei 2006 is die termijn verlengd tot 22 mei 2006. Bij brief van 22 mei 2006 hebben appellanten aan het Dagelijks Bestuur stukken toegezonden en hierbij opgemerkt dat uit deze stukken kan worden afgeleid wat de waarde van de betreffende goederen is. Voorts is vermeld dat appellant tijdens zijn verhoor op 1 mei 2006 heeft bedoeld te zeggen dat zijn vader de spullen heeft aangeschaft en deze hem in bruikleen heeft gegeven.

1.5. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het Dagelijks Bestuur de opschorting van de bijstand met ingang van 1 april 2006 ongedaan gemaakt op de grond dat de maximaal mogelijk opschortingstermijn van acht weken inmiddels was verstreken.

1.6. Aansluitend hieraan heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 26 juni 2006 met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB de bijstand wederom opgeschort en wel met ingang van 16 juni 2006. Appellanten is verzocht voor 3 juli 2006 de facturen van alle duurzame gebruiksgoederen over te leggen. Het Dagelijks Bestuur heeft in dit besluit voorts vermeld dat indien de gevraagde stukken niet voor de genoemde datum zijn ingeleverd de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van de opschortingsdatum kan worden ingetrokken.

1.7. Appellanten hebben geen nadere stukken ingediend.

1.8. Appellanten hebben tegen het besluit van 26 juni 2006 bezwaar gemaakt.

1.9. Bij besluit van 26 juli 2006 heeft het Dagelijks Bestuur met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand van appellanten met ingang van 16 juni 2006 ingetrokken. Tevens heeft het Dagelijks Bestuur bij dit besluit met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de periode van 20 juli 2005 tot en met 15 juni 2006 hierzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.775,30 van appellanten teruggevorderd.

1.10. Tegen het besluit van 26 juli 2006 hebben appellanten eveneens bezwaar gemaakt.

1.11. Bij afzonderlijke besluiten van 9 oktober 2006 (hierna: besluit I respectievelijk besluit II) heeft het Dagelijks Bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 26 juni 2006 en 26 juli 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak de beroepen tegen besluiten I en II ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt met betrekking tot het besluiten I en II allereerst - ambtshalve - over de bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur om tot opschorting, intrekking en terugvordering over te gaan het volgende.

4.2. In zijn uitspraak van 7 augustus 2007 (LJN BB1469) heeft de Raad uiteengezet dat, nu de op 25 december 2003 in werking getreden Gemeenschappelijke regeling van Kompas, Gemeentelijk collectief voor Werk, Inkomen & Zorg (hierna: Regeling Kompas) uitsluitend door de gemeenteraden van de drie deelnemende gemeenten, waaronder de gemeente Nuth, is aangegaan, de bestuursorganen van het openbaar lichaam Kompas geen bevoegdheden toekomen die volgens de hier aan de orde zijnde wettelijke voorschriften berusten bij de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten.

4.3. Ook ten tijde van het nemen van deze besluiten I en II was dit het geval. Dit brengt mee dat het Dagelijks Bestuur niet bevoegd was de besluiten I en II nemen. Gelet daarop berust de desbetreffende bevoegdheid (nog) bij - in dit geval - het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuth (hierna: College).

4.4. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de besluiten I en II gegrond verklaren en deze besluiten wegens strijd met de wet vernietigen.

5. Het Dagelijks Bestuur heeft het College, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 13 november 2007 (LJN BB7724), verzocht de besluiten van 26 juni 2006 en van 26 juli 2006 voor zijn rekening te nemen. Bij de op 12 december 2007 door de Raad ontvangen brief van het Dagelijks Bestuur is gevoegd een besluit van het College van 4 december 2007, waarin het College verklaart besloten te hebben de besluiten van 26 juni 2006 en 26 juli 2006, inclusief het daaraan ten grondslag liggende beleid, voor zijn rekening te nemen.

5.1. Nu het College, anders dan bijvoorbeeld in de zaak leidende tot de genoemde uitspraak van de Raad van 7 augustus 2007 (LJN BB1469), niet heeft besloten de besluiten I en II voor zijn rekening te nemen is reeds hierin een belemmering gelegen om te bezien of de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand kunnen worden gelaten.

5.2. Inmiddels is het Dagelijks Bestuur wel bevoegd tot het nemen van - voor zover hier van belang - besluiten ter zake van opschorting, intrekking en terugvordering.

Het Dagelijks Bestuur zal dan ook op de bezwaren van appellanten dienen te beslissen.

5.3. Met het oog hierop en ter voorlichting van partijen overweegt de Raad het volgende.

5.3.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan worden opgeschort. In onder meer zijn uitspraak van 2 oktober 2007 (LJN BB4918) heeft de Raad overwogen dat blijkens de wetsgeschiedenis van dit artikellid de opschorting uit een oogpunt van rechtszekerheid voor de belanghebbende niet langer mag duren dan de in deze bepaling genoemde termijn van acht weken en dat indien de opschorting de termijn van acht weken overschrijdt het bestuursorgaan niet tot een dergelijke opschorting bevoegd is.

5.3.2. De Raad stelt vast dat de opschorting met ingang van 1 april 2006, waartoe bij besluit van 1 mei 2006 is besloten, is ongedaan gemaakt. Het Dagelijks Bestuur heeft hierbij aangegeven dat de grond hiervoor is gelegen in het feit dat de termijn van acht weken was overschreden. Ter zitting van de Raad is vanwege het Dagelijks Bestuur nader toegelicht dat een en ander mede verband hield met het feit dat het onderzoek door de sociale recherche langer duurde dan de termijn van acht weken. Het vervolgens genomen tweede opschortingsbesluit van 26 juni 2006 is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als het besluit van 1 mei 2006. Daarmee is de facto de maximale opschortingstermijn van acht weken overschreden. Het besluit van 26 juni 2006 is dan ook in strijd met artikel 54, eerste lid, van de WWB. Hieraan doet niet af dat het Dagelijks Bestuur de opschorting met ingang van 1 april 2006 ongedaan heeft gemaakt door appellanten de bijstand over de maanden april en mei 2006 alsnog te betalen. De wetgever heeft de opschorting uitdrukkelijk gebonden aan een termijn van ten hoogste acht weken.

5.3.3. Dat het besluit van 26 juni 2006 is genomen in strijd met de wet heeft gevolgen voor het besluit van 26 juli 2006 voor zover hierbij met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 16 juni 2006 is ingetrokken. Bij afweging van de rechtstreeks bij die besluitvorming betrokken belangen heeft het Dagelijks Bestuur in redelijkheid niet kunnen besluiten tot intrekking met ingang van 16 juni 2006, zodat het besluit van 26 juli 2006 in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 6 september 2007 (LJN BB3024).

5.3.4. Met betrekking tot de intrekking van de bijstand van 20 juli 2005 tot en met 15 juni 2005, waartoe eveneens in het besluit van 26 juli 2006 is besloten, overweegt de Raad het volgende.

5.3.5. Blijkens de stukken heeft het Dagelijks Bestuur zich op het standpunt gesteld dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB hebben geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld. Ter zitting is onder verwijzing naar het aan besluit II ten grondslag liggende advies van de commissie bezwaar en beroep Kompas nader toegelicht dat een en ander verband houdt met de onduidelijke geldstromen tussen appellant en zijn vader. Met geld van zijn vader heeft appellant duurzame gebruiksgoederen aangeschaft. Met het Dagelijks Bestuur en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aard van die in de woning van appellanten aangetroffen goederen de vooronderstelling rechtvaardigt dat die goederen aan appellanten toebehoren en dat het aan hen is om in voldoende mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Op grond van de thans beschikbare gegevens is ook de Raad van oordeel dat appellanten niet hebben aangetoond dat de goederen toebehoren aan de vader van appellant en dat appellanten deze slechts in bruikleen hebben.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de door appellanten gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand alsmede reiskosten in hoger beroep, € 76,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten I en II;

Bepaalt dat het Dagelijks bestuur op de bezwaren van appellanten een besluit neemt;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1686,-- te betalen door het openbaar lichaam Kompas aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het openbaar lichaam Kompas aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 182 ,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2009.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) M. Pijper.

RB