Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
22-01-2009
Zaaknummer
07-2873 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betalingsverplichting van eigenrisicodrager WAO aan (voormalig) werknemer. Een beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur (vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel) in het kader van een procedure naar aanleiding van het opleggen van een betalingsverplichting kan niet slagen. Eerst in de fase van verhaal van de door het UWV betaalde WAO-uitkering op de eigen risicodrager kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol spelen. Besluit. Coulancebeleid.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 75a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/85
BA 2009/62
USZ 2009/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2873 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 3 april 2007, 06/7508 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.Th. van Schie, advocaat te Noordwijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft - desgevraagd - op 9 oktober 2008 een nadere uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008.

Namens appellante is verschenen M. den Ouden, bijgestaan door mr. B.M. van der Hofstede, kantoorgenote van de gemachtigde van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.G.M. de Graaff en mr. N. Verdonk.

II. OVERWEGINGEN

1. Van 2 december 2002 tot 2 juni 2003 is [naam werknemer] (hierna: werknemer) bij appellante in dienstbetrekking werkzaam geweest. Werknemer heeft zich op 21 april 2003 ziek gemeld. Namens appellante is een op 9 maart 2004 gedagtekend formulier “Inkomensgegevens WAO” betreffende de werknemer ingevuld en ingediend. Dit formulier is op

12 maart 2004 bij het Uwv ontvangen. Appellante heeft bij brief van 30 maart 2004 een aanvraag gedaan om eigenrisicodrager ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: erd-WAO) te worden. Het Uwv heeft bij besluit van 12 mei 2004 appellante met ingang van 1 juli 2004 aangemerkt als erd-WAO. Daarbij heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij informatie over de WAO-gerechtigden, waarvoor zij het eigen risico draagt, van het regiokantoor van het Uwv krijgt. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 juni 2004 heeft het Uwv appellante toegezonden het besluit van die datum waarbij aan de werknemer met ingang van 21 april 2004 een volledige WAO-uitkering is toegekend. Het Uwv heeft het door appellante tegen het besluit van 21 juni 2004 gemaakte bezwaar bij besluit van 18 oktober 2004 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen beroep ingesteld.

2.1. Het Uwv heeft bij brief van 26 augustus 2005 aan appellante meegedeeld met ingang van 1 juli 2004 de WAO-uitkering van de werknemer tot dan toe te hebben voorgeschoten en heeft, aangezien appellante met ingang van 1 juli 2004 erd-WAO is, aangekondigd deze voorschotten met ingang van 1 juli 2004 bij haar in rekening te zullen brengen (hierna: de vooraankondiging). Bij besluit van 28 april 2006 heeft het Uwv de betaling van evenvermelde WAO-uitkering aan appellante overgedragen (hierna: het betalingsbesluit). Daarbij heeft het Uwv aangegeven dat appellante met ingang van

1 juni 2006 de WAO-uitkering zelf aan de werknemer uitbetaalt en dat zij nog een aparte brief krijgt over het terugbetalen van de door het Uwv betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2004 tot 1 juni 2006. Appellante heeft bij brief van 10 mei 2006 bezwaar gemaakt tegen de vooraankondiging.

2.2. Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld welk bedrag zij aan door het Uwv aan de werknemer betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 mei 2006 dient terug te betalen (hierna: het verhaalsbesluit). Op 8 augustus 2006 heeft het Uwv een vergelijkbaar verhaalsbesluit aan appellante gezonden over de periode van 1 juni tot en met 30 augustus 2006. Naar aanleiding van de beslissingen op de tegen de verhaalsbesluiten gemaakte bezwaren heeft appellante beroep ingesteld.

2.3. Het Uwv heeft bij besluit van 3 augustus 2006 het bezwaar van appellante tegen de vooraankondiging niet-ontvankelijk verklaard omdat dat geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Het Uwv heeft dit bezwaar tevens aangemerkt als bezwaar tegen het betalingsbesluit en heeft vervolgens dit bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv overwoog daarbij onder meer dat appellante ten tijde van haar aanvraag om erd-WAO te worden redelijkerwijs op de hoogte had kunnen en moeten zijn van de mogelijke nadelige gevolgen hiervan.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 3 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank overwoog daartoe als volgt.

"Het onderhavige geschil betreft dus de handhaving van het besluit van 28 april 2006 waarin de betaling van de WAO-uitkering van [naam werknemer] aan eiseres wordt overgedragen. Dit besluit strekt tot het opleggen van een betalingsverplichting. Uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2006 (LJN AZ0127) volgt dat een beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur (vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel) in het kader van een procedure naar aanleiding van het opleggen van een betalingsverplichting niet kan slagen. Eerst in de fase van verhaal van de door het UWV betaalde WAO-uitkering op de eigen risicodrager kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een rol spelen. Naar het oordeel van de rechtbank zo ook in dit geval. Dat het in het onderhavige geval gaat om 3 afzonderlijke, enige tijd na elkaar genomen besluiten, noopt niet tot een andere conclusie. Tegen de verhaalsbesluiten van 11 mei 2006 en 8 augustus 2006 staat immers een aparte rechtsgang open, in het kader waarvan het beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan worden beoordeeld.

De betalingsverplichting vloeit voort uit de wet nadat is vastgesteld dat de werkgever eigenrisicodrager is en voldaan is aan de voorwaarden van artikel 75a, eerste en tweede lid van de WAO en de uitzonderingssituaties van artikel 75a, derde lid van de WAO zich niet voordoen.

In het onderhavige geval staat in rechte vast dat eiseres eigen risicodrager is. Er is voorts sprake van een toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer die op de eerste dag van de ongeschiktheid (april 2003) tot het verrichtten van zijn arbeid in dienst was van eiseres (van 2 december 2002 tot 2 juni 2003). Er is dus voldaan aan de vereisten van artikel 75a, eerste lid van de WAO. Niet gesteld noch gebleken is dat de uitzonderingssituaties van het derde lid van artikel 75a van de WAO zich voordoen. Nu het niet om het verhaal van gedane betalingen gaat, maar om het vaststellen van een betalingsverplichting, kan, zoals gezegd, een beroep op algemene beginselen van een behoorlijk bestuur eiseres niet baten."

4.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante de in bezwaar en beroep voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze zijn in de verschillende fasen van de procedure uitgebreid gemotiveerd en komen er in wezen op neer dat volgens appellante het bestreden besluit is genomen in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, zulks met name in verband met de informatieverstrekking bij het besluit van 12 mei 2004 tot aanmerking van appellante als erd-WAO en het besluit van 21 juni 2004 tot toekenning van WAO-uitkering aan de werknemer. Voorts is herhaald het ter zitting van de rechtbank reeds gedane beroep op intern beleid van het Uwv dat ertoe strekt dat onder bepaalde voorwaarden een werkgever met terugwerkende kracht kan terugkeren in het publieke bestel.

4.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen en in dit verband onder andere verwezen naar zijn in eerste aanleg uitgebrachte verweerschrift. Daarin is onder andere gesteld dat appellante door het invullen van het in overweging 1 vermelde formulier “Inkomensgegevens WAO” reeds een inschatting van het risico had kunnen maken en rekening had moeten houden met de mogelijke gevolgen voor haar van toekenning van een WAO-uitkering aan de werknemer.

5.1. De Raad onderschrijft de in 3.2 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Hij voegt daaraan toe dat in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006, de Raad, anders dan voorheen, de mededeling op grond van artikel 75a, vierde lid, eerste volzin van de WAO aan de werkgever omtrent zijn betalingsverplichting als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft aangemerkt. Het feit dat volgens deze uitspraak de beoordeling van de vraag of bij het betalingsbesluit is voldaan aan de in artikel 75a, eerste tot en met derde lid, van de WAO gestelde voorwaarden, in de regel een beperkte strekking heeft, maakt reeds dat het in die beoordeling betrekken van feiten en omstandigheden die geen verband houden met deze uit hun aard op zichzelf te beschouwen voorwaarden niet in beeld komt. Hierin ligt besloten dat de volgens appellante bij het nemen van het bestreden besluit opgetreden schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in lijn met de uitspraak van 10 oktober 2006 eerst bij een verhaalsbesluit aan de orde kan komen.

5.2. Hetgeen in 5.1 is overwogen geldt naar het oordeel van de Raad ook voor het standpunt van appellante inzake het meergenoemde besluit van 12 mei 2004, waartegen geen rechtsmiddelen zijn ingesteld. In zoverre kent de Raad derhalve aan de overwegingen van de rechtbank omtrent dit besluit voor de onderhavige procedure geen betekenis toe.

5.3. In de rechtbankprocedure en ook in hoger beroep is door partijen uitvoerig aandacht besteed aan het in 4.1 vermelde interne beleid van het Uwv, ook wel het coulancebeleid genoemd. Volgens de verklaring van de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad is het coulancebeleid op 20 april 2007 aan appellante kenbaar gemaakt. Volgens appellante heeft zij op 2 maart 2007 verzocht in het publieke bestel te mogen terugkeren en is op 20 april 2007 daarop afwijzend beslist. Ter zitting is overigens in algemene zin niet geheel duidelijk geworden in welke fase van het besluitvormingsproces ten aanzien van een betalings- of een verhaalsbesluit door het Uwv een verzoek om toepassing van het coulancebeleid in aanmerking wordt genomen. De Raad acht het in elk geval, nu het coulancebeleid bij het nemen van het bestreden besluit nog geen rol heeft gespeeld, aangewezen dat het Uwv beziet of het door appellante bedoelde verzoek is ontvangen en of het bij de rechtbank ingediende beroep tegen het bestreden besluit, zodra het Uwv van de inhoud van dat beroep kennis kreeg, niet al mede als een verzoek om toepassing van het coulancebeleid had moeten worden beschouwd. Voor het geval dat dat, gezien de verklaring namens appellante ter zitting, nog niet is geschied, dient het Uwv vervolgens een beslissing te nemen.

5.4. Hetgeen is overwogen in 5.1. tot en met 5.3 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met inachtneming van de slotzin in 5.2, dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Rijnen.

CVG