Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
07-3105 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Het Uwv heeft op de in geding zijnde datum terecht de beperkingen van betrokkene vastgesteld zonder rekening te houden met de behandeling die eerst twee maanden nadien is begonnen. Medisch onderzoek zorgvuldig. Beperkingen juist vastgesteld. Geschiktheid geduide functies. Eerst in hoger beroep toereikende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3105 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 april 2007, 06/3337 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 14 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Namens betrokkene heeft H.M. de Jong, consulent van de Stichting WAO/WSW Advies te 's-Hertogenbosch, een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 oktober 2008 heeft appellant vragen van de Raad beantwoord onder inzending van een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.E.M. Kuppens. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door H.M. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft appellant de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 april 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft betrokkene aangevoerd – kort weergegeven – dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, zo onder meer ten aanzien van ‘concentreren van de aandacht’, ‘verdelen van de aandacht’, ‘doelmatig handelen’ en het gebruik van handen en vingers. Voorts heeft het Uwv naar haar mening onvoldoende rekening gehouden met beperkingen als gevolg van dyslexie, de per 12 juni 2006 gestarte behandeling gedurende een dag in de week in het Sinai Centrum, de schildklierproblemen, de bijwerkingen van een door haar gebruikt medicijn en haar vermoeidheid. Als gevolg daarvan kan zij de werkzaamheden in de haar geduide functies niet verrichten, aldus betrokkene.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen om met inachtneming van de aangevallen uitspraak een nader besluit te nemen. De rechtbank heeft voorts beslissingen gegeven over het griffierecht en de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen – kort weergegeven – dat de verzekeringsarts van appellant bij brief van 30 januari 2006 door de psychiater van het Sinai Centrum is geïnformeerd dat betrokkene zich in een nieuw behandeltraject bevindt en dat er een aanmeldprocedure loopt voor deeltijdbehandeling. Vanaf dit moment, waarop een kenbare indicatie voor behandeling aanwezig was, had appellant daarmee rekening dienen te houden en zich niet op het standpunt mogen stellen dat de behandeling niet van invloed kan zijn op de beoordeling van de belastbaarheid, omdat de behandeling eerst is gestart na de in geding zijnde datum van 14 april 2006. Appellant heeft ten onrechte geen aanleiding gezien om nadere informatie in te winnen bij de behandelend psychiater over de mogelijke gevolgen van de behandeling voor de belastbaarheid van betrokkene, aldus de rechtbank.

5. In hoger beroep stelt appellant dat zijn verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts zich een juist en volledig beeld hebben gevormd van de gezondheidssituatie van betrokkene. Het enkele bericht dat een aanmeldprocedure loopt voor een deeltijdbehandeling is, naar hij stelt, terecht onvoldoende geacht om daaraan gevolgen te verbinden voor de beschikbaarheid en de belastbaarheid van betrokkene, waarbij hij er nog op wijst dat deze behandeling eerst twee maanden na de in geding zijnde datum is gestart.

6. De Raad overweegt het volgende.

6.1. Bij brief van 30 januari 2006 heeft een psychiater van het Sinai Centrum desgevraagd aan de verzekeringsarts van het Uwv bericht dat betrokkene zich in een nieuw behandeltraject bevindt en dat een aanmeldprocedure loopt voor deeltijdbehandeling in Amersfoort. Eerst op 1 augustus 2006, tijdens de hoorzitting in bezwaar, heeft betrokkene appellant geïnformeerd dat deze behandeling, gedurende een dag in de week, inmiddels was gestart. Uit het beroepschrift van betrokkene blijkt dat zij op 12 juni 2006 met de behandeling is begonnen. Uit het bovenstaande kan niet worden afgeleid dat appellant op de datum in geding, 14 april 2006, ervan op de hoogte was en kon zijn wanneer betrokkene een dagbehandeling zou gaan volgen en hoeveel tijd deze behandeling in beslag zou nemen. De Raad is van oordeel dat appellant op de in geding zijnde datum terecht de beperkingen van betrokkene heeft vastgesteld zonder rekening te houden met de behandeling die eerst twee maanden nadien is begonnen. Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

6.2. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad thans het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit beoordelen.

6.3. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit stelt de Raad vast dat betrokkene op 16 januari 2006 is onderzocht door een verzekeringsarts van appellant en op 16 augustus 2006 is onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts. Deze artsen hebben rekening gehouden met de over betrokkene beschikbare informatie uit de behandelend sector en er is nadere informatie opgevraagd bij het Sinai Centrum. De door betrokkene naar voren gebrachte bezwaren zijn door de desbetreffende bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 17 augustus 2006 uitgebreid besproken. In beroep heeft deze bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 13 oktober 2006 gemotiveerd gereageerd op de medische beroepsgronden van betrokkene. In bezwaar noch in beroep is door betrokkene medische informatie naar voren gebracht die van haar beperkingen op de datum in geding een wezenlijk ander beeld geven dan waarvan de verzekeringsartsen van appellant zijn uitgegaan. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door appellant zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen van betrokkene op de in geding zijnde datum juist zijn vastgesteld.

6.4. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. Appellant heeft de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene er mede op gebaseerd dat betrokkene in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden die horen bij de functies van teamondersteuner (sbc-code 315090), montagemedewerker (sbc-code 267050) en monteur loopwerken (sbc-code 264140). Uitgaande van de juiste vaststelling van de medische beperkingen van betrokkene acht de Raad geen grond aanwezig om ervan uit te gaan dat betrokkene niet in staat zou zijn de betreffende werkzaamheden te verrichten. De Raad moet evenwel vaststellen dat appellant eerst in beroep, met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 januari 2007, een als genoegzaam aan te merken motivering van de medische geschiktheid van de functies voor betrokkene heeft gegeven door toelichting van de bij de functies vermelde signaleringen. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuurswet (Awb) vernietigd dient te worden. De Raad zal evenwel gebruik maken van zijn bevoegdheid om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over het griffierecht en de proceskosten is beslist;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

JL