Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0538

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
07-4461 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. CVS. Verzekeringsarts acht appellante geschikt voor heel licht werk. Geen reden voor twijfel aan de juistheid van de in de FML neergelegde belastbaarheid. geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4461 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 juni 2007, 06/2439 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 26 november 2007 heeft het Uwv de reactie van een bezwaarverzekeringsarts van 8 november 2007 op het hoger beroepschrift ingezonden.

Bij brief van 17 november 2008 heeft appellante aanvullende stukken ingediend. Door het Uwv is hierop gereageerd met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 24 november 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 19 april 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 juni 2006 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% is.

2. Bij besluit van 28 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv niet van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eerst in de beroepsfase een nadere toelichting op één van de functies is gegeven, waarmee alsnog voldoende inzichtelijk is gemaakt waarom de aan appellante voorgehouden functies voor appellante geschikt zijn.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat bij haar de diagnose Chronische vermoeidheidssyndroom (CVS) is vastgesteld en dat zij op grond van deze diagnose niet in staat is arbeid te verrichten. Appellante heeft tevens een beroep gedaan op het met ingang van 1 januari 2008 in werking getreden verzekeringsgeneeskundig procotol CVS, omdat tijdens de keuringsprocedure door de verzekeringsartsen niet juist zou zijn gehandeld.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een verklaring van dr. R.C.W. Vermeulen, gynaecoloog, verbonden aan het CVS/ME Centrum Amsterdam, van 14 oktober 2008, overgelegd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De verzekeringsarts E. de la Court heeft in zijn rapport van 30 november 2005 vermeld dat aannemelijk is dat appellante nog steeds beperkingen heeft in haar energievoorraad en abnormaal snel moe is. Dit beperkt haar in fysiek inspannende activiteiten. Tevens moet rekening gehouden worden met het gegeven dat appellante niet te lang kan staan en lopen, het werk niet te stresserend mag zijn en niet te veel piekbelasting mag hebben. Op grond hiervan is de verzekeringsarts van oordeel dat appellante belastbaar is voor heel licht werk. De bezwaarverzekeringsarts G.A.C.G. Durlinger heeft in zijn rapport van 13 september 2006 het oordeel van de verzekeringsarts onderschreven.

5.2. De bezwaarverzekeringsarts M. Bakker heeft in reactie op het hoger beroepschrift gesteld dat de aandoening van appellante door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts serieus is genomen, wat onder andere blijkt uit het vermelden van de diagnose en de bijbehorende klachten, welke zijn vertaald in beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Daarnaast heeft deze bezwaarverzekeringsarts gesteld dat de algemene klachten en beperkingen bij CVS per individu beoordeeld dienen te worden. In het door appellante genoemde protocol is geen verplichting opgenomen tot het toepassen van beperkingen. Naar aanleiding van de verklaring van de gynaecoloog Vermeulen van 14 oktober 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts op 24 november 2008 vermeld dat hetgeen door Vermeulen is gesteld reeds bekend was bij zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts, en dat deze artsen daarmee rekening hebben gehouden in de FML.

5.3. Gelet op het in 5.1 en 5.2 overwogene heeft de Raad, met de rechtbank, geen reden gezien voor twijfel aan de juistheid van de in de FML neergelegde belastbaarheid van appellante. De Raad heeft voorts geen aanleiding gezien voor benoeming van een deskundige voor ander onderzoek.

5.4. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat in de door het Uwv aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen belastingen voorkomen die de mogelijkheden van appellante tot het verrichten van werkzaamheden overschrijden. Het Uwv heeft de motivering hiervan echter eerst in beroep gegeven.

6. Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

KR