Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
07-5259 WWB + 07-5261 WWB + 07-5262 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opheffing ontheffing arbeidsverplichtingen: Naar het oordeel van de Raad kon ten tijde hier van belang het voor 12 uren per week nakomen van de verplichtingen nog niet van appellant worden gevergd. Herhaalde weigering volgen van Nederlandse taallessen. Maatregel. Verlaging bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5259 WWB

07/5261 WWB

07/5262 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [Breda] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 augustus 2007, 06/5914, 06/5915 en 06/6338 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie).

Datum uitspraak: 5 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2008. Voor appellant is verschenen mr. Visser. De Commissie heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 7 juli 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). In afwachting van een onderzoek naar zijn arbeidsmogelijkheden is hem ontheffing verleend van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.

1.2. Op 20 november 2005 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts. De verzekeringsarts concludeert in zijn rapportage van 30 november 2005 dat appellant op medische gronden geschikt geacht moet worden voor passende, heel lichte arbeid voor 10 à 12 uur per week. Voorts is appellant op 13 december 2005 door een arbeidsdeskundige gezien. In zijn rapportage van 13 december 2005 stelt de arbeidsdeskundige dat, alvorens een begeleidingstraject naar betaalde arbeid kan worden gestart, het noodzakelijk is dat appellant de Nederlandse taal beter beheerst, zowel in woord als geschrift.

1.3. Op basis van voornoemde rapportages heeft de Commissie bij besluit van 19 juni 2006 bepaald dat de verleende ontheffing vanaf die datum gedeeltelijk komt te vervallen, dat appellant voor 12 uur per week de in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen dient na te komen en voor de overige 28 uur per week tot 1 december 2007 van die verplichtingen is vrijgesteld. Voorts is hem de verplichting opgelegd mee te werken aan een onderzoek van Sagenn, een door de gemeente Breda gecontracteerd

re-integratiebedrijf.

1.4. Het tegen het besluit van 19 juni 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 oktober 2006 (hierna: besluit I) ongegrond verklaard.

2. Tijdens gesprekken op 15 juni 2006 met zijn klantmanager bij de dienst Sociale Zaken en op 26 en 29 juni 2006 met een medewerker van SagEnn heeft appellant aangegeven niet mee te werken omdat hij ziek was en Nederlandse taallessen niet nodig vond. In reactie hierop heeft de Commissie bij besluit van 19 juli 2006 de bijstand met ingang van 1 augustus 2006 voor de duur van een maand verlaagd met € 206,-- (20% van de bijstandsnorm).

2.1. Bij besluit van 2 oktober 2006 (hierna: besluit II) heeft de Commissie het bezwaar tegen het besluit van 19 juli 2006 ongegrond verklaard.

3. Tijdens een gesprek op 27 juli 2006 met een medewerker van SagEnn heeft appellant wederom aangegeven niet mee te willen werken aan een traject. Dit was voor de Commissie aanleiding om bij besluit van 9 augustus 2006 de bijstand wegens recidive met ingang van 1 september 2006 voor de duur van een maand te verlagen met € 412,-- (40% van de bijstandsnorm).

3.1. Het tegen het besluit van 9 augustus 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van

20 november 2006 (hierna: besluit III) ongegrond verklaard.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen gericht tegen de besluiten I, II en III ongegrond verklaard.

5. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1. Met betrekking tot de ontheffing.

6.1.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:

a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik gemaakt wordt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen en deze te aanvaarden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

6.1.2. Artikel 9, tweede lid, van de WWB biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.1.3. Na medisch onderzoek heeft de verzekeringsgeneeskundige bij appellant een zeer beperkte belastbaarheid geconstateerd met een verhoogde kans op uitval. De arbeidsdeskundige heeft het aanbieden van een taalcursus Nederlands noodzakelijk geacht alvorens een intensieve begeleiding naar betaalde arbeid kan worden gestart. Gelet op een en ander, in onderlinge samenhang bezien, kon naar het oordeel van de Raad ten tijde hier van belang het voor 12 uren per week nakomen van de in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde verplichtingen nog niet van appellant worden gevergd. Dit betekent dat de Commissie hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten. Het College had in het geval van appellant de ontheffing van de in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde verplichtingen tijdelijk moeten continueren en zich vooralsnog moeten beperken tot het opleggen van de verplichting om gebruik te maken van de op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB aangeboden voorziening bij Sagenn. Het vorenstaande houdt in dat besluit I voor zover hierbij de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB aan appellant zijn opgelegd, wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen besluit I ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen besluit I gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

Bij zijn hierna op te dragen besluit op bezwaar zal het College nader moeten bezien hoe lang tijdelijke ontheffing in het geval van appellant nog aangewezen is van de in artikel 9, eerste lid, onder a, van de WWB genoemde verplichtingen en tevens opnieuw een besluit moeten nemen over vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten. Voor de goede orde merkt de Raad nog op dat artikel 9, tweede lid, van de WWB niet de mogelijkheid biedt van een in tijd onbeperkte ontheffing en dat de verplichting om gebruik te maken van de op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB aangeboden voorziening bij Sagenn in stand blijft.

6.2. Met betrekking tot de verlaging van de bijstand.

6.2.1. Vaststaat dat appellant tijdens de gesprekken op 16, 26 en 29 juni 2006 als ook tijdens het gesprek op 27 juli 2006 expliciet te kennen heeft gegeven geen Nederlandse taallessen te willen volgen. Dat betekent dat appellant bij voortduring heeft geweigerd te voldoen aan de hem opgelegde verplichting om gebruik te maken van de op grond van

artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB aangeboden voorziening bij Sagenn. De Raad gaat voorbij aan de stelling van appellant dat hij hiertoe op medische gronden niet in staat was, omdat die stelling niet met medische gegevens door appellant is onderbouwd en hiervoor in de gedingstukken geen steun is te vinden. Van deze gedragingen kan dan ook niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat de Commissie ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellant te verlagen.

6.2.2. De Raad is van oordeel dat de Commissie de gedragingen van appellant terecht heeft gekwalificeerd als gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder d, van de Maatregelen- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand gemeente Breda (hierna: Verordening). De Raad stelt voorts vast dat de opgelegde verlagingen in overeenstemming zijn met de verlagingen die op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, en tweede lid (in verband met recidive) van de Verordening als regel moeten worden opgelegd. De Raad ziet geen grond om aan te nemen dat de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellant de gedragingen kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert het College aanleiding hadden dienen te geven om de vastgestelde verlagingen te matigen met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Verordening. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 5 van de Verordening op grond waarvan van het opleggen van een verlaging kan worden afgezien.

6.2.3. Uit hetgeen in 6.2.1 en 6.2.2 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover daarbij de beroepen tegen de besluiten II en III ongegrond zijn verklaard.

7. De Raad ziet ten slotte aanleiding de Commissie te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit I ongegrond is verklaard;

Verklaart dat beroep gegrond en vernietigt besluit I;

Bepaalt dat de Commissie een nieuw besluit op het bezwaar tegen besluit van 19 juni 2006 neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt de Commissie in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Breda aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Breda aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

OA