Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0327

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
08-199 BPW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen verzetsdeelnemer. Afwijzing verzoek om herziening. Uitbetaling Weduwe- en wezenpensioen. Appellant kan geen aanspraak meer maken op uitbetalingen op basis van genoemde beschikking, al om de reden dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de bij bedoelde beschikking aan appellants moeder en haar toen minderjarige kinderen toegekende uitkering wel tot uitbetaling is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/199 BPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 8 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 17 december 2007, kenmerk 84625, JZ/K60/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is gevoegd behandeld met een ander tussen partijen bestaand geding, bij de Raad geregistreerd onder nummer 08/198 BPW. Het onderzoek ter zitting van deze gedingen heeft plaatsgevonden op 27 november 2008. Aldaar is appellant in persoon verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 september 1993 heeft verweerster - voor zover hier van belang - in overeenstemming met het oordeel van de Stichting 1940-1945 (hierna: de Stichting) bepaald dat appellant niet is te rekenen tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Een door appellant in mei 1998 bij verweerster ingediend verzoek om onder herziening van het onder 1.1 genoemde besluit hem alsnog te erkennen als deelnemer aan het verzet in de zin van de Wet, heeft verweerster in navolging van het oordeel van de Stichting afgewezen bij besluit van 3 september 1998, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 oktober 1999. Bij uitspraak van 17 augustus 2000 (nummer 99/6216 BPW) heeft de Raad dat besluit vernietigd op de grond - kort gezegd - dat gelet op de nieuwe getuigenverklaringen de afwijzing berust op een ondeugdelijke grondslag.

1.3. Bij het ter uitvoering van de onder 1.2 genoemde uitspraak genomen besluit van 5 maart 2001 heeft verweerster - overeenkomstig de nadere standpuntbepaling van de Stichting - gehandhaafd het standpunt dat appellant niet kan worden gerekend tot de deelnemers aan het verzet. In dat verband is overwogen, voor zover van belang, dat er geen sprake is geweest van daden die naar aard, omvang en duur hebben gereikt tot het niveau van verzet in de zin van de Wet. Daarbij heeft verweerster in aanmerking genomen dat, gezien de resultaten van een door de Stichting ingesteld nader onderzoek, niet aannemelijk is geworden dat appellant méér dan tweemaal per kano onderduikers heeft vervoerd en evenmin dat deze hulpverlening heeft plaatsgevonden op verzoek van de illegaliteit, alsmede dat niet is gebleken dat de door appellant gestolen wapens met oogmerk van verzet zijn ontvreemd dan wel voor verzetsdoeleinden zijn gebruikt.

Bij uitspraak van 27 september 2001, nummers 00/6416 BPW+ 01/1452 BPW, heeft de Raad het door appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 5 maart 2001 ongegrond verklaard. De Raad achtte onvoldoende grondslag aanwezig om, ook indien in ogenschouw wordt genomen dat verweerster eerder heeft aanvaard dat appellant zijn moeder behulpzaam is geweest toen in hun woning joodse onderduikers waren opgenomen, het oordeel van verweerster dat er geen sprake is van illegale activiteiten die naar aard en omvang reiken tot het niveau van verzet in de zin van de Wet, aan te tasten.

1.4. Een door appellant in december 2002 bij de Raad ingediend verzoek om de onder 1.3 genoemde uitspraak met toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te herzien heeft de Raad afgewezen bij uitspraak van 17 juli 2003, nummer 03/116 BPW.

1.5. In juli 2005 heeft appellant zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek om als verzetsdeelnemer in de zin van de Wet te worden aangemerkt. Tevens heeft appellant verzocht alsnog tot uitbetaling van de bij de beschikking van 20 juli 1951 aan zijn moeder en haar (toenmalige) minderjarige kinderen, waaronder appellant, op grond van de Wet toegekende weduwe- en wezenpensioen over te gaan, aangezien een dergelijk pensioen nimmer zou zijn ontvangen.

1.6. Bij besluit van 15 september 2005 heeft verweerster het verzoek om uitbetaling van de uit genoemde beschikking van 20 juli 1951 voortvloeiende bedragen niet-ontvankelijk verklaard. In dat verband heeft verweerster overwogen dat, zoals door haar is aangegeven onder meer in een schrijven aan de toenmalige gemachtigde van appellant van 10 mei 2001, de bedragen aan weduwe- en wezenpensioen volledig tot uitbetaling zijn gekomen. Met betrekking tot het verzoek om erkenning als verzetsdeelnemer heeft verweerster overwogen dat gelet op haar eerdere besluiten en de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, appellant niet als zodanig kan worden aangemerkt en dat verzoek afgewezen. Het tegen het besluit van 15 september 2005 ingediende bezwaar heeft verweerster bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

1.7. In beroep heeft appellant, onder uiting van zijn onbegrip, uitgebreid aangevoerd - samengevat - dat hij telkenmale ten onrechte niet wordt aangemerkt als verzetsdeelnemer in de zin van de Wet. Verder blijft appellant van mening dat de uitbetalingen van het weduwe- en wezenpensioen nimmer hebben plaatsgevonden.

2. De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Verzetsdeelnemer

2.1.1. De Raad stelt voorop dat, gelet op de door appellant bij zijn aanvraag aangevoerde gronden, hier sprake is van een verzoek om herziening als bedoeld in artikel 42a van de Wet.

2.1.2. Op grond van artikel 42a van de Wet is verweerster bevoegd, op daartoe door of vanwege de belanghebbende gedane aanvraag, een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard, hetgeen betekent dat verweerster hierbij een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat volgens vaste rechtspraak van de Raad centraal de vraag of de betrokkene bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.

2.1.3. De Raad stelt vast dat appellant bij het herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, in wezen heeft herhaald hetgeen hij reeds ter ondersteuning van zijn eerdere aanvraag in het kader van de Wet had aangevoerd. Appellant heeft zijn herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van - relevante - gegevens die verweerster bij het nemen van eerdergenoemde besluiten niet bekend waren en op onderhavige kwestie een nieuw licht werpen. Onder deze omstandigheden heeft verweerster naar oordeel van de Raad dan ook terecht geen aanleiding gevonden om, onder herziening van de eerdere besluiten, appellant alsnog aan te merken als verzetsdeelnemer in de zin van de Wet.

2.2. Weduwe- en wezenpensioen

2.2.1. Blijkens de gedingstukken heeft de toenmalige Buitengewone Pensioenraad bij beschikking van 20 juli 1951 met ingang van 1 oktober 1947 de moeder van appellant en haar toen minderjarige kinderen in aanmerking gebracht voor een buitengewoon (weduwe- en wezen)pensioen.

2.2.2. Anders dan appellant uitvoerig naar voren heeft gebracht is de Raad met verweerster van oordeel dat appellant geen aanspraak meer kan maken op uitbetalingen op basis van genoemde beschikking, al om de reden dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de bij bedoelde beschikking aan appellants moeder en haar toen minderjarige kinderen toegekende uitkering wel tot uitbetaling is gekomen. Zo heeft verweerster in navolging van de Stichting verklaard dat in september 1951 aan de moeder van appellant, als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen, het wezenpensioen is uitbetaald, welke betaling ten aanzien van appellant is beëindigd bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd in 1952. Gegevens waaruit het tegendeel blijkt heeft de Raad niet aangetroffen. De omstandigheid dat appellant niet op de hoogte was van meergenoemde beschikking noch van het uitbetaalde wezenpensioen, maakt het voorgaande niet anders.

2.3. Nu ook overigens geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot vernietiging van het bestreden kunnen leiden, komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

3. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.

(get.) A. Beukder-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD