Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0307

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
06-6283 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken.

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6283 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 september 2006, 06/527 (hierna: de aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van appellant is een rapport van de verzekeringsarts H.M.Th. Offermans, werkzaam bij Rheon Arbo & SV Adviseurs BV, ingestuurd met het verzoek dit bij de beoordeling te betrekken.

Desgevraagd heeft de door de Raad ingeschakelde orthopedisch chirurg dr. E.R.A. van Arkel een onderzoek ingesteld en van zijn bevindingen verslag uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn opvolgend gemachtigde mr. M.J.H. Roebroek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, werkzaam als zelfstandige in de automatisering, is -onder meer- vanwege een dreigend faillissement in november 2003 uitgevallen met psychische klachten. Aansluitend aan de wettelijke wachttijd ontving hij een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 9 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 10 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 25% was.

2.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend, waarbij uitgebreid medische informatie is bijgesloten van de psychiater G.W. van Florestein, van de psychiater F.B. van der Wurff, van de GGD-arts A.F. van Tellingen en van zijn huisartsen S.A.F. Razavy en A.F. van Loo. De bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek heeft de diagnose van de primaire verzekeringsarts M. Molenaar (depressieve stoornis, eenmalige episode en paniekstoornis) onderschreven. Daaraan voegt zij evenwel toe dat er geen lichamelijk onderzoek is verricht, maar dat zij aanneemt dat appellant is aangewezen op rugsparende arbeid, zoals de huisarts aangeeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft een nieuwe Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, waarin rekening is gehouden met aanvullende beperkingen in de rubrieken IV en V. De bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers heeft vervolgens de voorgehouden functies bekeken en vastgesteld dat er weliswaar enige verschuiving in het mediaanloon plaatsvindt, maar dat dit niet resulteert in indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.

Bij beslissing op bezwaar van 9 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar dan ook ongegrond verklaard.

3.1. In dit geding is aan de orde of de rechtbank terecht en op goede gronden het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, nu appellant daarvan in hoger beroep is gekomen.

3.2. In hoger beroep heeft appellant allereerst verwezen naar de gronden in de beroepsprocedure. Hij is van mening dat de (bezwaar)verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn nog eens uitvoerig naar voren gebrachte lichamelijke en psychische klachten en beperkingen, hetgeen in zijn ogen wordt ondersteund door het in rubriek I van deze uitspraak genoemde rapport van de verzekeringsarts H.M.Th. Offermans.

3.3. De Raad heeft aanleiding gezien de eveneens in rubriek I genoemde orthopedisch chirurg dr. E.R.A. van Arkel als deskundige in te schakelen om hem van verslag en advies te dienen.

4.1. Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde beoordeling kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan het door de deskundige Van Arkel uitgebrachte rapport, waarin deze aangeeft zich te kunnen verenigen met de vastgestelde belastbaarheid. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze onafhankelijke en onpartijdige deskundige zijn oordeel baseert op eigen onderzoek van appellant, op de in het dossier aanwezige op hem betrekking hebbende stukken, alsmede op de door hem verkregen informatie van de behandelende sector.

4.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Hij heeft daarbij in ogenschouw genomen dat de door de verzekeringsarts Offermans gesuggereerde aanvullende beoordeling van het bewegingsapparaat heeft plaatsgevonden en dat Offermans voor wat betreft de psychische belastbaarheid in zijn rapport heeft aangegeven geen aanleiding te zien om de inschatting van de belastbaarheid op het persoonlijke en sociale vlak (dit betreft de rubrieken I. en II. van de FML) aan te passen.

4.3. Wat betreft de in het aanvullend hoger beroepschrift herhaalde, en ook ter zitting van de Raad aan de orde gestelde, grief dat de medicatie die appellant gebruikt zijn concentratie en reactievermogen beïnvloedt, zodat hij meer beperkt zou zijn op diverse aspecten in de rubrieken I. en II. van de FML, volstaat de Raad met te verwijzen naar het voorgaande, alsook naar hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. De Raad oordeelt die overweging ook toepasselijk op de wederom geclaimde RSI-klachten waarvoor in de stukken, in het bijzonder de meergenoemde rapportage van verzekeringsarts Offermans, maar ook in de informatie van appellants eigen huisarts, geen enkele aanwijzing is te vinden.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de beperkingen zoals weergegeven op de (aangepaste) FML is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellant op de datum in geding, gelet op zijn medische beperkingen, in staat was de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen, waarbij de Raad opmerkt dat alle op de formulieren Resultaat Functiebeoordeling voorkomende signaleringen reeds in de bezwaarfase van een voldoende (bezwaar)arbeidskundige toelichting zijn voorzien.

5.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.2. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) I.R.A. van Raaij.

JL