Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2009
Datum publicatie
22-01-2009
Zaaknummer
07-4182 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Verzoek om terug te komen van. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4182 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2007, 06/2129 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Veerkamp, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 december 2007 heeft de gemachtigde van appellant enkele medische stukken aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2008. Namens appellant is mr. Veerkamp verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 14 maart 2002 heeft het Uwv de aan appellant krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering met ingang van 19 september 2002 beëindigd op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedroeg.

1.3. Bij besluit van 16 juli 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 maart 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertegen is door appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Namens appellant heeft mr. Veerkamp, voornoemd, op 9 oktober 2003 het Uwv verzocht van de eerdere beslissing terug te komen.

1.5. Het Uwv heeft bij besluit van 26 mei 2005 afwijzend op dit verzoek beslist.

1.6. Bij besluit op bezwaar van 8 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de namens appellant tegen het besluit van 26 mei 2005 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat tussen partijen in geschil is, of het Uwv bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden geweigerd heeft op het eerdere besluit tot intrekking van appellants WAO-uitkering terug te komen.

3.2. In de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als gedaagde, heeft de rechtbank daaromtrent het volgende overwogen:

“Gelet op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 december 2003 (LJN: AO0725) en 8 augustus 2006 (LJN: AY4876) mag overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd, dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit als uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen namens eiser is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft eiser een aantal medische verklaringen van enkele verschillende psychiaters overgelegd, te weten: een verklaring van psychiater Najib van 18 juni 2002; verklaringen van psychiater Chiboub van 16 januari 1999, 10 januari 2000, 20 juni 2001 en 3 maart 2002; en verklaringen van psychiater Chebani van 23 februari 1995 en 1 april 1998. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de data van de opgestelde verklaringen, in de verklaringen geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen zijn gelegen als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het betreft immers verklaringen met daarin feiten en omstandigheden die in het kader van de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 14 maart 2002 reeds naar voren hadden kunnen worden gebracht. Het feit dat het gemaakte bezwaar wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard maakt dit niet anders (zie bijvoorbeeld CRvB 15 maart 2005, LJN: AT3550). Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.”

3.3. De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, bevat geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.