Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BH0067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
07-1075 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts. Gebrek niet hersteld door het onderzoek in de bezwaarfase. Bezwaarverzekeringsarts heeft uitsluitend dossierstudie gedaan. Onzorgvuldig medisch onderzoek. Vernietiging besluit. Noch een geschreven noch een ongeschreven rechtsgrond is aanwijsbaar die zich verzet tegen het alsnog verrichten van een onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts die reeds eerder haar oordeel te kennen heeft gegeven louter gebaseerd op dossierstudie. Alsnog deugdelijke en inzichtelijke medische beoordeling. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1075 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 8 januari 2007, 06/1767 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J.H. Maas. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde appellante door een bezwaarverzekeringsarts te laten onderzoeken.

Het Uwv heeft bij brief van 29 oktober 2008 een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 29 oktober 2008 ingediend, waarop door appellante schriftelijk is gereageerd.

Het onderzoek is voortgezet ter zitting van de Raad op 28 november 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante, die werkzaam was als cateringbeheerder, is met ingang van 4 januari 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, in verband met klachten ten gevolge van een whiplashtrauma.

1.2. Bij besluit van 6 oktober 2005 is in het kader van een herbeoordeling volgens het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004,434) de WAO-uitkering van appellante per 6 december 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 21 februari 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen het besluit van 6 oktober 2005 ongegrond verklaard. Blijkens de gedingstukken ligt aan het besluit van 21 februari 2006 het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellante met beperkingen ten gevolge van een whiplashletsel – als neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 augustus 2005 – geschikt is voor het vervullen van functies waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO naar een mate van 15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 21 februari 2006 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding. In dit verband is onder meer gesteld dat appellante alleen is onderzocht door een niet geregistreerde verzekeringsarts. Verder heeft appellante de FML bestreden, zij kan zich met name niet verenigen met de voor haar vastgestelde duurbelastbaarheid.

4.1. De Raad stelt vast dat appellante op 24 augustus 2005 is onderzocht door de voor het Uwv werkzame arts G.Q. Zamani. Niet in geschil is dat de arts Zamani ten tijde van het door hem verrichte onderzoek geen geregistreerd verzekeringsarts was. Zoals volgt uit de uitspraken van de Raad van 18 juli 2007 (LJN BA9904, BA9905, BA9908, BA9909 en BA9910) kan aan een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts niet dezelfde waarde worden toegekend als aan een onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts, nu de kwaliteit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door een arts, niet zijnde een verzekeringsarts, onvoldoende is gewaarborgd. Een dergelijk gebrek kan echter in de bezwaarfase worden hersteld indien in die fase een beoordeling plaatsvindt door een wel als zodanig geregistreerd arts.

4.2. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de Raad het hiervoor gesignaleerde gebrek niet hersteld door het onderzoek in de bezwaarfase. Het onderzoek in de bezwaarfase door de bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes heeft uitsluitend bestaan uit dossierstudie.

4.3. De Raad is van oordeel dat het voorgaande tot de conclusie leidt dat het besluit van 21 februari 2006 berust op een onzorgvuldig medisch onderzoek en daarom wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd. Aangezien bij de aangevallen uitspraak het besluit van 21 februari 2006 in stand is gelaten, dient de aangevallen uitspraak eveneens te worden vernietigd.

5. De Raad ziet vervolgens aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het besluit van 21 februari 2006 in stand te laten, nu op grond van de navolgende overwegingen moet worden geconcludeerd dat appellante per 6 december 2005 terecht is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%.

5.1. Gedurende de procedure in hoger beroep is appellante op 28 oktober 2008 alsnog medisch onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts Van Erk-Raes. De Raad overweegt dat het zijns inziens de voorkeur had verdiend indien appellante zou zijn onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts die nog niet eerder bij de zaak betrokken was geweest. Maar de Raad ziet onvoldoende aanleiding hier gevolgen aan te verbinden. Noch een geschreven noch een ongeschreven rechtsgrond is aanwijsbaar die zich verzet tegen het alsnog verrichten van een onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts die reeds eerder haar oordeel te kennen heeft gegeven louter gebaseerd op dossierstudie. De Raad overweegt verder dat het rapport van Van Erk-Raes van 28 oktober 2008 getuigt van een zorgvuldige en diepgaande medische beoordeling en deugdelijk medisch is gemotiveerd. De Raad is uit deze rapportage niet gebleken van enige vooringenomenheid bij de beoordeling door Van Erk-Raes.

De Raad is dan ook van oordeel dat met het nadere onderzoek door Van Erk-Raes in hoger beroep uiteindelijk een zorgvuldige beoordeling van appellantes belastbaarheid per 6 december 2005 heeft plaatsgevonden.

5.2. De Raad is vervolgens van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen reden voor twijfel is aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellante, zoals deze zijn weergegeven in de FML van 24 augustus 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage van 29 oktober 2008 inzichtelijk en medisch deugdelijk onderbouwd dat er op medische gronden geen indicatie bestaat tot het, naast de gestelde beperkingen, additioneel aannemen van een urenbeperking op energetische of preventieve gronden dan wel in verband met een beperkte beschikbaarheid. De Raad merkt op dat de bezwaarverzekeringsarts bij haar oordeelsvorming uitdrukkelijk betrokken en gewogen heeft appellantes ervaringen in de dagelijkse praktijk. In de door appellante in bezwaar en beroep overgelegde gegevens van de neuroloog Th. J.M. Breuer van 19 augustus 2005 en klinisch neuropsycholoog E.J.T. Matser van 31 januari 2006 heeft de Raad geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante op de datum in geding in enig opzicht meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen.

5.3. De Raad is van oordeel dat appellante met de door het Uwv in aanmerking genomen beperkingen in staat moet worden geacht de aan de schatting ten grondslag liggende functies van operator chemische en kunststofverwerkende industrie (sbc-code 271122), produktiemedewerker voedingsmiddelen industrie (sbc-code 111172) en verkoper winkel (sbc-code 317014) te verrichten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 56,36 aan reiskosten in hoger beroep. De gevorderde kosten van appellantes echtgenoot komen ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 56,36, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.D.F. Smit-de Moor.

KR