Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9923

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
07-2407 WAO + 07-2637 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Dubbel beroep. Ambtshalve beoordeling of de rechtbank terecht zitting achterwege heeft gelaten.Verleende toestemming blijft niet van kracht als nieuwe gedingstukken worden toegevoegd. Om die reden wordt uitspraak vernietigd. Geen terugwijzing. Medische beoordeling zorgvuldig tot stand gekomen. Medische beperkingen juist vastgesteld. Deugdelijke toelichting met betrekking tot de passendheid van de functies eerst in de fase van het beroep gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2407 WAO + 07/2637 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

en

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 april 2007, 06/2674 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

appellant

Datum uitspraak: 13 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat te Arnhem, eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2008.

Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Balkema.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit op bezwaar van 3 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit 1) heeft appellant een eerder besluit van 30 september 2005 gehandhaafd, waarbij betrokkenes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 december 2005 wordt ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf die datum is afgenomen naar minder dan 15%.

2. De rechtbank heeft, met bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht, het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd dat betrokkene met een interne opleiding het functieniveau van de functie van huishoudelijk medewerker (niveau 2) zou kunnen bereiken, zodat niet duidelijk is geworden of de functie voor betrokkene geschikt is. Met het vervallen van deze functie is de schatting slechts gebaseerd op twee functies, waarmee het bestreden besluit strijdig is met artikel 9 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld omdat zij zich niet met de aangevallen uitspraak kunnen verenigen.

3. Appellant heeft aangevoerd dat het bij de functie van huishoudelijk medewerker gaat om gangbare, algemeen geaccepteerde arbeid, waarvoor opleidingsniveau 1 geldt, waarbij geen eisen worden gesteld aan rekenen, lezen of schrijven en waarbij het gaat om algemeen gangbare vaardigheden die binnen zes maanden zijn te verwerven. Betrokkene heeft opleidingsniveau 1. Het functieniveau speelt nog slechts een rol bij schattingen met toepassing van het vóór 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium. In dit verband heeft appellant nog een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Z. Eggink van 5 september 2007 ingezonden waarin een nadere toelichting wordt gegeven.

4. Betrokkene kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen voorzover daarin wordt overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit stand kan houden. Zij heeft evenals in bezwaar en beroep aangevoerd dat haar psychische en lichamelijke beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is duurzaam arbeid te verrichten. Betrokkene heeft erop gewezen dat zij is aangewezen op intensieve thuiszorg en dat intensieve bemoeienis van de Raad voor de Kinderbescherming nodig is omdat zij vanwege haar psychische beperkingen niet in staat is zichzelf en haar gezin te organiseren, hetgeen onder meer blijkt uit een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 december 2006. Een en ander is in de loop van de tijd niet verbeterd. Als gevolg van haar medische beperkingen kan betrokkene geen Nederlands spreken of schrijven. Met de allergieën en het eczeem van betrokkene is, zo heeft zij gesteld, geen rekening gehouden. Ten slotte is aangevoerd dat pas na het nemen van het bestreden besluit een motivering is gegeven van de arbeidskundige grondslag ervan.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In de eerste plaats ziet de Raad aanleiding om zich ambtshalve uit te laten over de vraag of de aangevallen uitspraak op een juiste wijze tot stand is gekomen.

5.2. Nadat de rechtbank het onderzoek ter zitting op 6 februari 2007 had geschorst, heeft zij bij brieven van 21 februari 2007 partijen om toestemming verzocht hernieuwd onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft deze toestemming verleend bij brief van 23 februari 2007. Namens betrokkene is deze toestemming verleend bij brief van 26 februari 2007, in welke brief ook de grieven van betrokkene nog nader zijn toegelicht en is verzocht om deskundigenonderzoek. De rechtbank heeft vervolgens de aangevallen uitspraak gewezen.

5.3. Naar de Raad vaker als zijn opvatting heeft doen blijken, staat het de rechter, in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, niet vrij om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft.

Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. De rechtbank heeft na toevoeging aan het procesdossier van de hiervoor genoemde brief van betrokkene van 26 februari 2007, appellant niet opnieuw om toestemming in de zin van artikel 8:57 van de Awb verzocht, terwijl een dergelijke toestemming ook anderszins niet is gegeven.

5.4. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:57 van de Awb en derhalve niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

6. Omdat de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.

7.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische beoordeling op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Raad laat daarbij onder meer wegen dat zich onder de gedingstukken informatie bevindt van de huisarts, de longarts en van de GGZ-instelling De Gelderse Roos van rond de in geding zijnde datum van 1 december 2005. Deze informatie is door de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon besproken in haar rapportage van 2 januari 2006/27 maart 2006 en heeft op 3 april 2006 geleid tot aanpassing van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In verband met de normale longfunctie van betrokkene is de beperking voor stof, gassen en dampen geschrapt; wel is een beperking toegevoegd wegens de door de longarts genoemde allergieën. Bovendien heeft de informatie van De Gelderse Roos geleid tot het stellen van een beperking voor nachtarbeid.

7.2. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat de medische beperkingen van betrokkene juist zijn vastgesteld. De overwegingen van de rechtbank maakt hij tot de zijne. Daaraan voegt hij nog toe dat betrokkene op de in geding zijnde datum wel sociaal-psychische begeleiding kreeg en medicatie gebruikte in verband met haar psychische klachten, maar dat zij niet meer onder specialistische behandeling was. In haar rapport van 31 oktober 2007 heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad verder nogmaals voldoende inzichtelijk uiteengezet dat van een situatie van ‘geen duurzaam benutbare mogelijkheden’ ten tijde van de datum in geding geen sprake was, dat er ondanks de sterk belastende gezinsomstandigheden geen sprake was van een ernstige psychische stoornis en dat er geen medische gegevens zijn die een cognitief disfunctioneren onderbouwen. Van de zijde van betrokkene is geen medische informatie in het geding gebracht die aanknopingspunten geeft voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

8. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat betrokkene de drie geduide functies niet zou kunnen verrichten. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de functie van huishoudelijk medewerker de krachten en bekwaamheden van betrokkene niet te boven gaat en dat deze functie binnen het bereik van betrokkene ligt. Deze functie heeft opleidingsniveau 1 en kent geen vereisten voor opleiding en ervaring. Een interne opleiding hoeft, anders dan de rechtbank veronderstelde, niet te worden gevolgd. Blijkens het formulier Resultaat Functiebeoordeling betreft het eenduidige en routinematige arbeid volgens een vaststaand patroon met mondelinge opdrachten en schriftelijke instructies in de vorm van een weekprogramma. Betrokkene moet hiervoor geschikt worden geacht. De Raad kan zich verder verenigen met hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige Eggink in zijn rapport van 5 september 2007 heeft opgemerkt. Ook overigens acht de Raad de passendheid van de functies genoegzaam toegelicht.

9. Nu echter een deugdelijke toelichting met betrekking tot de passendheid van de functies eerst in de fase van het beroep is gegeven met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 december 2006, bestaat aanleiding het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te vernietigen, zij het met de bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

10. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,- .

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) W.R. de Vries.

KR