Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
07-3283 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldaan aan medisch arbeidsongeschiktheidscriterium. In de FML is met de afgenomen psychische, cognitieve en lichamelijke belastbaarheid van appellante rekening gehouden. Geen aanleiding voor urenbeperking. Geschiktheid selecteerde functies.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3283 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 april 2007, 06/3528 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon adviesgroep b.v., gevestigd te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 24 juli 2008 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2008. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als medewerker account support gedurende 36 uur per week. In verband met diverse klachten is haar met ingang van 26 juli 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.

1.2. Bij besluit van 11 april 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 5 april 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.3. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 april 2004 ongegrond verklaard.

1.4. Bij uitspraak van 8 april 2005 (04/1381) heeft de rechtbank Utrecht het tegen het besluit van 15 april 2004 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.5. Bij besluit van 14 juli 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellante weer ongegrond verklaard.

1.6. Bij uitspraak van 7 augustus 2006 (05/2359) heeft de rechtbank Utrecht het tegen het besluit van 14 juli 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.7. Bij uitspraak van heden heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 augustus 2006 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 14 juli 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

2.1. Appellante is op 12 oktober 2005 onderzocht door verzekeringsarts A.E.M.M. Cosemans. Deze arts heeft in een rapport van 31 oktober 2005, aangevuld op 13 januari 2006, de klachten en het dagverhaal van appellante weergegeven. Bij het lichamelijk onderzoek werden slechts geringe functiebeperkingen van de nek gevonden. Beperkingen ten aanzien van concentratie waren door de verzekeringsarts niet te objectiveren. Volgens haar moeten werkzaamheden waarbij appellante zich niet langdurig bovenmatig moet concentreren haalbaar zijn.

Voor de bij de vorige beoordeling op grond van een door psycholoog drs. S.A.M. de Vocht opgesteld onderzoeksrapport van 22 november 2001 aangenomen urenbeperking zag de verzekeringsarts geen medische noodzaak mits het werk passend is. Volgens haar zijn de door appellante aangegeven moeheidsklachten veeleer een gevolg van deconditionering en geen gevolg van ziekte. Deze bevindingen werden neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 januari 2006. Daarbij is onder meer het concentreren van de aandacht niet beperkt en het verdelen van de aandacht wel beperkt geacht. Ten aanzien van de werktijden zijn geen beperkingen in de FML opgenomen.

2.2. Vervolgens werd appellante bij arbeidskundig onderzoek in februari 2006 geschikt geacht voor een aantal functies, waarna bij besluit van 13 maart 2006 de WAO-uitkering van appellante per 23 april 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

3.1. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in zijn rapport van 23 juni 2006 de conclusies van de primaire verzekeringsarts bevestigd. Daartoe is overwogen dat laatstgenoemde op grond van een volledig en voldoende zorgvuldig onderzoek de resterende mogelijkheden van appellante heeft weergegeven. Vastgesteld is dat de eerder nog opgenomen beperking “concentreren van aandacht” is opgeheven, omdat de primaire verzekeringsarts in twee onderzoeken, waarvan het tweede 45 minuten duurde, geen waarneembare concentratievermindering heeft bemerkt. Daarom kan niet langer worden volgehouden dat appellante zich maximaal een half uur op een informatiebron kan concentreren. Met beperkingen ten aanzien van duwen/trekken, tillen/dragen, frequent zware lasten hanteren zijn de mogelijkheden van appellante niet overschat, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Ten slotte heeft hij geen medische noodzaak (meer) aanwezig geacht voor een urenbeperking op voorwaarde dat volledig gangbaar (stressarm, cognitief en fysiek niet te belastend) werk wordt aangeboden.

3.2. In de bezwaarprocedure heeft appellante een rapport van een bij haar op 20 juni 2006 verricht neuropsychologisch onderzoek door de psycholoog drs. M.H. Krijgsveld overgelegd. Deze psycholoog heeft in haar rapport van 23 juni 2006 aangegeven dat bij dit onderzoek verschillende cognitieve tekorten zijn geobjectiveerd, waarvan de aandachtsregulatie het meest prominent naar voren komt. Verwacht wordt dat appellante binnen een half uur problemen zal ervaren met concentreren. Appellante is voorts verhoogd afleidbaar en zeer gevoelig voor tijd en tempodruk. Ten aanzien van arbeid en contacten met derden is sprake van afbreukrisico, aldus Krijgsveld.

3.3 Bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft in zijn rapport van 23 augustus 2006 het onderzoek van Krijgsveld bekritiseerd wat betreft methode en inhoud. Admiraal gaf aan dat dit onderzoek is uitgevoerd door een “gewone” psycholoog en niet door een gekwalificeerd neuropsycholoog die aan testresultaten de juiste conclusies kan verbinden. Tevens valt op dat erg weinig tests zijn gebruikt. Niet duidelijk is geworden waarom de psycholoog geen gebruik heeft gemaakt van aanvullende tests om het hoger uitvoerend functioneren te kwalificeren en te valideren.

Waar de psycholoog verwacht dat appellante binnen een half uur problemen zal ervaren met concentreren, stelt Admiraal tevens dat wanneer een taak is ingesleten en dus routinematig kan worden uitgevoerd, de uitvoering van een taak vergemakkelijkt kan worden. Hij merkt in dit verband nog op dat in de FML al tot uitdrukking komt dat appellante verhoogd afleidbaar en zeer gevoelig voor tijd en tempodruk is. Ten slotte acht de bezwaarverzekeringsarts het merkwaardig, want pathofysiologisch niet verklaarbaar, dat appellante nu slechter lijkt te scoren op de volgehouden aandachtsfunctie en het vermogen om automatische reacties te onderdrukken. Vergelijking van de vragenlijsten van 2004 en 2006 leert immers dat appellante in 2004 vele psychische klachten en momenteel weinig psychische klachten uit. Voorts meldt de psycholoog dat de hoge pieken en dalen wat zijn afgevlakt, dat appellante steeds beter leert haar leven aan te passen aan de mogelijkheden, extra rustmogelijkheid heeft nu haar zoontje naar school gaat, haar hersenen traint door Italiaanse les te nemen en informatieve boeken te lezen en geheugenoefeningen te doen. Volgens Admiraal zouden deze verschillen juist de verklaring kunnen zijn voor een verbeterd cognitief functioneren.

Samenvattend heeft de bezwaarverzekeringsarts aan het neuropsychologisch onderzoek van Krijgsveld geen argumenten kunnen ontlenen om de belastbaarheid van appellante aan te scherpen. Bovendien biedt de beschrijving van het dagelijks functioneren van appellante extra steun aan de conclusie dat appellante geen urenbeperking meer behoeft.

3.3. Nadat de bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans in zijn rapport van 20 juli 2006 de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies nader heeft toegelicht, heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2006 bij besluit van 31 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Wat betreft de medische grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet is gebleken dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts niet aan de vereiste zorgvuldigheid voldoet noch dat hij over onvoldoende dan wel ontoereikende informatie beschikte om tot een beoordeling te kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts in de rapporten van 23 juni 2006 en 23 augustus 2006 op inzichtelijke wijze gemotiveerd waarom hij van mening is dat in de FML in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellante en met name dat in haar situatie geen plaats is voor een beperking op het item “concentreren van aandacht” en een urenbeperking.

5. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bestreden. Aangevoerd is dat de uitkomsten van het bij haar op 20 juni 2006 verricht neuropsychologisch onderzoek door de klinisch psycholoog Krijgsveld ten onrechte niet serieus zijn genomen. Derhalve is gehandeld in strijd met het van toepassing zijnde Schattingsbesluit. Appellante is van mening dat het, anders dan het Uwv stelt, niet strikt noodzakelijk is dat een oorzaak van de klachten moet kunnen worden benoemd. Ter zitting is dit standpunt herhaald en daaraan is nog toegevoegd dat als er sprake is van een logische en consistente samenhang tussen stoornissen, beperkingen en handicaps, er sprake is van ziekte of gebrek.

6.1.1. De Raad stelt voorop dat in de arbeidsongeschiktheidswetgeving, waaronder artikel 18 van de WAO voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijke) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

6.1.2. Naar het oordeel van de Raad valt in het licht van deze rechtspraak niet in te zien dat Admiraal bij zijn onderzoek het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat is neergelegd in het Schattingsbesluit, heeft miskend. In de FML is met de afgenomen psychische, cognitieve en lichamelijke belastbaarheid van appellante rekening gehouden. Aanleiding voor een urenbeperking zag hij echter niet, omdat appellante niet voldoet aan de Standaard “Verminderde arbeidsduur”. Aangegeven is dat uit het dagverhaal van appellante naar voren is gekomen dat zij haar dagen volledig en op redelijk actieve wijze invult zonder dat blijkt van een aperte en stelselmatige slaapperiode overdag. Hij acht aannemelijk dat een verklaring van de moeheidsklachten kan worden gevonden in deconditionering. Verder acht hij geen preventieve reden aanwezig voor een urenbeperking, omdat het risico van decompensatie wordt geminimaliseerd door volledig gangbaar werk aan te bieden.

6.1.3. Ook de omstandigheid dat Admiraal aan het in geding gebrachte neuropsychologisch onderzoek niet die betekenis heeft toegekend welke appellante daaraan gehecht wil zien, maakt nog niet dat de medische grondslag van het bestreden besluit in strijd is met het Schattingsbesluit. De Raad miskent niet dat bij een dergelijk onderzoek cognitieve tekorten kunnen worden vastgesteld, maar, zoals ook in zijn uitspraak van 23 april 2008 (LJN BD1914) naar voren komt, dienen deze tekorten wel in een medisch-specialistisch rapport te zijn herleid naar medisch vastgestelde stoornissen. Voorts valt al uit de uitspraak van de Raad van 31 augustus 1993 (RSV 1994, 26) af te leiden dat de bevindingen van een neuropsycholoog - willen deze relevantie hebben voor het recht op een wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering - verband dienen te houden met beperkingen voortvloeiend uit eigenschappen die zijn aan te merken als ziekte of gebreken op neurologisch of psychiatrisch gebied en niet veeleer hun oorzaak vinden in de aard van de persoonlijkheid, voor zover de kenmerkende eigenschappen niet liggen buiten hetgeen als psychisch normaal is te beschouwen. Nog daargelaten de vraag of er, gelet op de methodologische kritiek van Admiraal, kan worden gesproken van consistentie in het geheel van de door Krijgsveld vastgestelde stoornissen, stelt de Raad met Admiraal vast dat uit het rapport van Krijgsveld geenszins valt af te leiden dat deze tekorten in een logische en consistente samenhang staan tot (uitingen van) ziekte of gebrek. In dit verband kan ook niet worden voorbijgezien aan de verklaring van Admiraal voor de vermoeidheidsklachten van appellante, zoals door hem verwoord in zijn rapport van 23 juni 2006. Hij acht aannemelijk dat deze klachten kunnen worden verklaard als gevolg van deconditionering. Voor een deel kan de moeheid ook worden gerelateerd aan enerzijds het karakterologisch “onvermogen” van appellante haar grenzen te bewaken en anderzijds aan de energie die het kostte het geleerde (“beter haar grenzen aan te geven”) in de praktijk te brengen.

6.1.4. De Raad wijst er nog op dat, ook indien de kritiek van Admiraal niet zou worden gevolgd en zou moeten worden aangenomen dat er op basis van het rapport van Krijgsveld sprake is van vaststelling van een logisch en consistent geheel van stoornissen, handicaps en beperkingen, een dergelijke vaststelling nog niet automatisch, anders dan de gemachtigde van appellante ter zitting heeft betoogd, meebrengt dat sprake is van ziekte of gebrek. De Raad verwijst – kortheidshalve – naar zijn uitspraak van 3 oktober 2008 (LJN BF6777).

6.1.5. Al hetgeen is overwogen in 6.1.1 tot en met 6.1.4 leidt de Raad tot de conclusie dat de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte standhoudt.

6.2. Ten slotte is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken dat appellante met inachtneming van de FML op de datum in geding niet in staat zou zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

7.1. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.2. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Lochs.

GdJ