Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
07-9 WAZ + 07-6519 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAZ-uitkering. Nader besluit. De gronden van het hoger beroep die uitsluitend zijn gericht tegen de medische grondslag van de arbeidsongeschiktheidsschatting behoeven geen bespreking, omdat, wat daarvan ook zij, vaststaat dat appellant ten tijde in geding feitelijk arbeid verrichtte. Op basis van de daarmee verworven inkomsten is de in besluit II vervatte mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Gesteld noch gebleken is dat appellant om medische redenen ongeschikt is tot het verrichten van die arbeid in de door hem feitelijk gedane omvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/9 WAZ + 07/6519 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 december 2006, 06/480 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.C. Hendriks, verbonden aan De Groot Heupner B.V. te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een aantal stukken ingezonden.

Bij brief van 19 november 2007 heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een besluit op bezwaar van gelijke datum ingezonden, alsmede een aantal nadere stukken, waaronder een afschrift van een brief van 28 september 2007 aan de gemachtigde van appellant.

Door de Raad desverzocht heeft het Uwv bij brieven van 21 mei 2008 en 20 juni 2008 nadere inlichtingen verstrekt.

Het geding is ter zitting van 28 november 2008 ter behandeling aan de orde gesteld, waar partijen, met schriftelijke kennisgeving, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant werkt als zelfstandige en is directeur-grootaandeelhouder van een groothandel in grondstoffen. Op 15 juni 2001 heeft hij zijn werkzaamheden in een omvang van 45 uur per week gestaakt vanwege whiplashklachten als gevolg van een hem overkomen verkeersongeval. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 14 juni 2002 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 35 tot 45%. Bij besluit op bezwaar van 15 april 2003 heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd. Bij uitspraak van 7 februari 2006 (03/5722 WAZ) heeft de Raad, oordelend in hoger beroep, dit besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

1.2. In het kader van een herbeoordeling naar aanleiding van het aangepaste Schattingsbesluit heeft het Uwv op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 15 april 2005 besloten met ingang van 16 juni 2005 de WAZ-uitkering van appellant in te trekken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 7 februari 2006 (besluit I) heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het tegen het besluit van 15 april 2005 gemaakte bezwaar, de uitkering met ingang van 16 juni 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak ten aanzien van de medische kant van de schatting als haar oordeel gegeven dat het bestreden besluit op een juiste, althans toereikende, medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige kant heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige in zijn rapportage niet alle door het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aangebrachte signaleringen heeft voorzien van een afzonderlijke toelichting, waardoor deze arbeidskundige beoordeling niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid, verifieerbaarheid en toetsbaarheid. Ook heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de zogeheten maximering van de omvang van de maatmanfunctie op 38 uur per week berustte op de (inmiddels vervallen) bepalingen van artikel 9, aanhef en onder b, tweede volzin en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit, met welke bepalingen de regelgever buiten de delegatie-bevoegdheid van artikel 2, zevende lid, van de WAZ was getreden, zodat het Uwv deze bepalingen buiten toepassing had moeten laten. Om deze redenen heeft de rechtbank het bestreden besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep, vernietigd.

3.1. In hoger beroep heeft appellant uitsluitend medische beroepsgronden aangevoerd. Het Uwv heeft, onder intrekking van zijn tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep, bij besluit op bezwaar van 19 november 2007 (besluit II) de WAZ-uitkering van appellant met ingang van 16 juni 2005 opnieuw herzien naar een mate van arbeids-ongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dit besluit is het rapport van 26 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten ten grondslag gelegd. Deze heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 2 maart 2007, LJN: AZ9652, de maximering van de maatmanomvang tot 38 uur ongedaan gemaakt en op basis van een maatman-omvang van 45 uur per week zowel een theoretische schatting gemaakt van het verlies aan verdiencapaciteit van appellant als ook een praktische schatting. Dit laatste omdat appellant feitelijk gedeeltelijk in zijn bedrijf was blijven werken. De feitelijke inkomsten heeft de bezwaararbeidsdeskundige gesteld op € 1713,18 per maand.

3.2. Op basis van de theoretische schatting aan de hand van een drietal SBC-codes met daarin voor appellant geschikt geachte functies, heeft de bezwaararbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 37,62%, hetgeen tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% zou leiden. Nu evenwel een praktische schatting, gebaseerd op het maatmaninkomen van € 2622,75 per maand en voormeld bedrag aan feitelijke inkomsten van € 1713,18 per maand, een mate van arbeidson-geschiktheid van 34,68% oplevert, heeft de bezwaararbeidsdeskundige de in besluit I vervatte indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35% gehandhaafd.

3.3. Onder de door het Uwv bij brief van 19 november 2007 ingezonden stukken bevindt zich een afschrift van een brief van 28 september 2007 aan de gemachtigde van appellant, waarbij het voornemen tot het nemen van besluit II kenbaar is gemaakt en waarbij een exemplaar van de rapportage van 26 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Kursten is toegezonden. Op dit afschrift is door de behandelend medewerker van de afdeling bezwaar en beroep van het Uwv op

11 oktober 2007 een notitie geplaatst van een telefoongesprek met de gemachtigde van appellant inhoudende:

“Geen h.z. Geen inhoudelijke bezwaren tegen beslissing of bad-rapportage, mede vanwege korte duur. Zal zich pas na ontvangst bob (lees: besluit II) beraden over al dan niet handhaven h.b.”

De Raad stelt vast dat van de zijde van appellant of zijn gemachtigde tegen besluit II en/of het rapport van 26 maart 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige Kursten geen bezwaren bij de Raad zijn ingebracht.

4.1. Nu met besluit II niet geheel aan het beroep van appellant is tegemoetgekomen, dient de Raad besluit II met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure te betrekken.

4.2. Naar het oordeel van de Raad behoeven de gronden van het hoger beroep die uitsluitend zijn gericht tegen de medische grondslag van de arbeidsongeschikt-heidsschatting geen bespreking, omdat, wat daarvan ook zij, vaststaat dat appellant ten tijde in geding feitelijk arbeid verrichtte. Op basis van de daarmee verworven inkomsten is de in besluit II vervatte mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Gesteld noch gebleken is dat appellant om medische redenen ongeschikt is tot het verrichten van die arbeid in de door hem feitelijk gedane omvang.

4.3. Mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.3 is overwogen komt de Raad mitsdien tot het oordeel dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak waarbij besluit I is vernietigd, komt voor bevestiging in aanmerking. Het beroep tegen besluit II dient ongegrond te worden verklaard.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.J.A. Reinders.

MH