Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9716

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
07-1784 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De door de rechtbank ingeschakelde psychiater is van oordeel dat geen sprake is van een stoornis en heeft de FML onderschreven. Rapport gebaseerd op zorgvuldig onderzoek. Geschiktheid geselecteerde fuincties voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1784 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 februari 2007, 05/1171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft het Uwv een rapport van bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters van 18 augustus 2008 met bijlagen ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008. Appellant is aldaar verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Drossaert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 2 februari 2002 ziek gemeld wegens rugklachten, psychische klachten en alcoholverslaving. Appellant was op dat moment werkloos en ontving een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Voorafgaand aan zijn werkloosheid was appellant werkzaam geweest als beveiligingsmedewerker/receptionist voor 32 uur per week.

1.2. Na de ziekmelding is aan appellant, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 1 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In het kader van een eerstejaarsherbeoordeling is appellant op 22 april 2004 en op 7 oktober 2004 onderzocht door verzekeringsarts M. van Heugten-Hoogendoorn. Deze arts heeft haar onderzoeksbevindingen weergegeven in de rapporten van 22 april 2004 en 12 oktober 2004. In haar rapport van 12 oktober 2004 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant in staat is tot het verrichten van arbeid waarbij rekening dient te worden gehouden met psychische beperkingen en beperkingen in verband met rugklachten en energieverlies. De verzekeringsarts heeft de bij appellant aanwezige beperkingen weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 oktober 2004. Blijkens het rapport van

12 oktober 2004 heeft de verzekeringsarts haar conclusies mede gebaseerd op het expertise-rapport van psychiater

P.J.H. Notten van 18 mei 2004, die onderzoek heeft verricht op haar verzoek. Psychiater Notten heeft in zijn rapport vermeld dat de klachten van appellant voor een groot deel verklaard kunnen worden door zijn alcoholafhankelijkheid en niet zozeer vanuit een psychiatrisch toestandsbeeld. Aan de hand van de FML en de arbeidsmogelijkhedenlijst van 22 oktober 2004 heeft arbeidsdeskundige B. van Dijk geconcludeerd dat appellant in staat is om met zijn beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies nog hetzelfde loon te verdienen als het loon dat hij zonder beperkingen in zijn eigen werk zou hebben verdiend, waardoor er geen verlies aan verdiencapaciteit is. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 1 december 2004 de WAO-uitkering van appellant ingetrokken met ingang van 11 januari 2005. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts I.F.D. van den Bold in zijn rapport van 17 februari 2005 geen aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsarts te herzien. Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 december 2004 ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft tegen het besluit van 16 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) beroep ingesteld bij de rechtbank. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft appellant een rapport overgelegd van psycholoog/klinisch neuropsycholoog P.M.J. Lazaroms van Novadic & Kentron van 28 februari 2006, gebaseerd op psychodiagnostische onderzoeken die in december 2005 en februari 2006 bij appellant zijn verricht. In zijn rapport van 30 maart 2006 heeft bezwaarverzekeringsarts Van den Bold gereageerd op het rapport van Lazaroms. In opdracht van de rechtbank heeft psychiater B.J. van Eyk appellant op 12 mei 2006 onderzocht en zijn onderzoeksbevindingen weergegeven in een rapport van 23 juni 2006. Hierin is door Van Eyk geconcludeerd dat appellant geen psychiatrische stoornis heeft, maar dat sprake is van aanpassings- en verwerkingsproblematiek met een angstige en depressieve kleuring. Voorts kan Van Eyk zich vinden in de door de verzekeringsarts opgestelde FML.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met name het rapport van de door haar ingeschakelde psychiater Van Eyk van belang geacht. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn gezondheid verder achteruitgaat. Daarnaast heeft appellant verzocht om een nieuwe medische keuring.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank acht de Raad bij de weging van de medische informatie met name van belang het in 2.1 vermelde rapport van psychiater Van Eyk. In dit rapport, dat naar het oordeel van de Raad is gebaseerd op een zorgvuldig onderzoek, heeft Van Eyk geconcludeerd dat er bij appellant geen sprake is van een stoornis en heeft hij de FML van 12 oktober 2004 onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep geen argumenten naar voren gebracht of medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om de conclusies van Van Eyk niet te volgen en/of om een medisch deskundige te benoemen. In het ter zitting van de Raad door appellant ingenomen standpunt dat hij alleen dankzij hulp van zijn echtgenote en bij wijze van uitzondering nuchter was bij het onderzoek door Van Eyk, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van Van Eyk. Uit de stelling van appellant dat zijn gezondheid achteruitgaat, kan de Raad voorts niet afleiden dat de beperkingen per de datum in geding, 11 januari 2005, onjuist zijn vastgesteld.

4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant voldoende is toegelicht, mede gelet op het in hoger beroep ingediende rapport van bezwaararbeidsdeskundige Peters van 18 augustus 2008. Voorts blijkt uit dit rapport dat het vervallen van één geselecteerde functie niet heeft geleid tot een wijziging van de resterende verdiencapaciteit.

4.3. De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.C.A. Wit.

TM