Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
07-4409 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen, aangezien appellant met arbeid meer dan 65% van het zogenoemde maatmaninkomen kan verdienen. Slaapstoornis is bij de medische beoordeling betrokken. Geen medische onderbouwing voor het standpunt dat de slaapstoornis het verrichten van avondwerk onmogelijk maakt. Geen urenbeperking aangewezen. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4409 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 juni 2007, 06/3630 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. Van Berkel en het Uwv door mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 22 maart 2006, waarbij is geweigerd appellant per 4 april 2006 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toe te kennen.

Aan dit besluit ligt ten grondslag de opvatting van het Uwv dat appellant per 4 april 2006 met arbeid meer dan 65% van het zogenoemde maatmaninkomen kan verdienen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak – voor zover hier van belang – het door appellant tegen het besluit van 27 juni 2006 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juni 2006 in stand blijven en besluiten genomen omtrent vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 27 juni 2006 op een deugdelijke medische grondslag, maar niet op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. Naar het oordeel van de rechtbank was niet op voldoende wijze toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt zijn, maar is in de beroepsfase alsnog een deugdelijke toelichting verstrekt. De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Naar de opvatting van appellant heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat het Uwv bij het vaststellen van de voor hem geldende beperkingen op onvoldoende wijze rekening heeft gehouden met zijn slaapstoornis. Als gevolg van deze stoornis slaapt hij slecht en staat hij ’s morgens “gebroken” op. Appellant acht een zogenoemde urenbeperking om energetische redenen aangewezen. Naar zijn mening dient in het geval energetische beperkingen aanwezig zijn op basis van de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium en de Standaard Verminderde arbeidsduur een urenbeperking te worden aangenomen.

Voorts acht appellant het als gevolg van zijn slaapstoornis niet mogelijk werkzaamheden in de avond te verrichten, omdat dit het dag-nacht-ritme verstoort.

3.2. Appellant heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juni 2006 in stand heeft gelaten. Naar zijn mening is met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies op onvoldoende wijze rekening gehouden met zijn beperkingen, waaronder zijn wegrakingen. Naar zijn mening zijn functies waarin hij auto dient te rijden voor hem ongeschikt. Als gevolg van zijn concentratieproblemen kan hij evenmin een opleiding volgen, zoals noodzakelijk is in één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Ook de functie waarin hij een soldeerbout moet hanteren, acht hij voor hem ongeschikt.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot zijn beperkingen van medische aard vormt in essentie een herhaling van hetgeen appellant reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank dit afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom hetgeen appellant heeft aangevoerd geen doel treft. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant gesignaleerde problemen met zijn gezondheid door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in hun beschouwingen zijn betrokken. Appellant heeft ook in hoger beroep geen grieven naar voren gebracht op grond waarvan tot het oordeel kan worden gekomen dat de (bezwaar)verzekeringsarts een onjuist of onvolledig beeld van zijn gezondheidssituatie en de daaruit voor hem voortvloeiende beperkingen had. Dat de door appellant bedoelde wegrakingen ernstiger zijn dan momenten van concentratiezwakte – met welke momenten bij het vaststellen van de mogelijkheden van appellant rekening is gehouden – is de Raad niet kunnen blijken. Gegevens van medische aard die appellant in zijn standpunt ter zake van de ernst (met name het plotse karakter) van de wegrakingen steunen, zijn niet voorhanden.

4.3. De grief van appellant dat hij geen avondwerk kan verrichten, treft evenmin doel. Een medische onderbouwing voor het standpunt dat de slaapstoornis het verrichten van avondwerk onmogelijk maakt, dan wel een negatieve invloed op deze stoornis heeft, is – zoals de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd heeft erkend – niet voorhanden.

4.4. Het standpunt van appellant dat in het geval dat om energetische redenen beperkingen worden aangenomen steeds een urenbeperking is aangewezen, vindt geen steun in de door appellant genoemde richtlijn en standaard.

4.5. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vormt in essentie eveneens een herhaling van hetgeen appellant reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank ook deze gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom hetgeen appellant heeft aangevoerd geen doel treft. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de geduide functies geen monotoon werk – voor welk werk appellant gelet op zijn momenten van concentratiezwakte ongeschikt is – voorkomt. Het in de functies voorkomende autorijden levert voor appellant geen problemen op; er is sprake van korte stukken rijden met voldoende afwisseling. Ook het gebruik van een soldeerbout levert geen gevaar op, omdat dit gebruik niet plaatsvindt in een situatie die als monotoon moet worden gekenschetst en voorts voor het plotse karakter van de wegrakingen geen steun in de gegevens van medische aard is te vinden.

4.6. Het door appellant ingenomen standpunt dat hij geen opleiding zou kunnen volgen in verband met zijn concentratiezwakte berust slechts op zijn eigen opvatting. Een onderbouwing van deze opvatting ontbreekt.

4.7. Het is de Raad overigens niet gebleken dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies belastingen voorkomen die de mogelijkheden van appellant te boven gaan.

4.8. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook – voor zover aangevochten – te worden bevestigd.

4.9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en M.C.M. van Laar en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A. Badermann.

TM