Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9626

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
06-7414 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. De eerst ter zitting van de Raad aangevoerde arbeidskundige grieven zijn te laat en in strijd met de goede procesorde aangevoerd. Geen reden om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. Met name niet gebleken dat appellante niet-zelfredzaam zou zijn. Geen sprake meer van een marginale dagindeling. Medische geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7414 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 28 november 2006, 06/741 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.E. Verheij, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 januari 2008 heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Bij brief van 12 september 2008 heeft mr. B. Damen, advocaat te Maastricht, de Raad bericht dat hij de zaak overgenomen heeft van mr. Hendriks, voornoemd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008, waar namens appellante is verschenen mr. Damen, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het bestreden besluit van 14 februari 2006 berust op het standpunt dat appellante op 10 oktober 2005, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor appellante geldende maatmaninkomen, resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit is stand blijven en beslissingen gegeven ten aanzien van griffierecht en proceskosten.

1.3. De rechtbank heeft bij haar uitspraak overwogen dat het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met (onder meer) de psychische klachten van appellante. Voor de conclusie dat appellante geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden heeft, zag de rechtbank, ook in de rapportage van 12 mei 2005 van behandelend psychiater

J.H.B. Engels geen grond. De functionele mogelijkheden van appellante zijn op een juiste wijze in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juni 2005 verwoord, aldus de rechtbank.

1.4. Omdat het Uwv eerst in beroep de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft toegelicht, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Omdat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht en op goede gronden op minder dan 15% heeft vastgesteld, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2. In hoger beroep is namens appellante gewezen op de door haar behandelend psychiater gestelde diagnoses aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken en een somatisatiestoornis. Zijn verwachting was dat appellante niet weer spoedig in staat zal zijn tot zinvol werk. Ook in 2003 heeft psychiater dr. M.L.M. Leurs geconcludeerd dat de prognose ten aanzien van de arbeidsgeschiktheid zeer beperkt was.

2.1. Namens appellante is ter zitting met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd dat haar Nederlandse taalvaardigheid te gebrekkig is om de bij sommige geduide functies gegeven instructies te kunnen begrijpen. Daarnaast vormt de behoorlijke productiedruk en het reiken een te grote belasting voor appellante.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad laat de eerst ter zitting aangevoerde arbeidskundige grieven, als zijnde te laat en in strijd met de goede procesorde aangevoerd, buiten beschouwing. Hierbij heeft de Raad laten meewegen dat namens het Uwv ter zitting is aangevoerd dat deze grieven eerst zouden moeten worden voorgelegd aan de bezwaararbeidsdeskundige alvorens daarop adequaat kan worden gereageerd en dat voorts niet is gebleken dat de gemachtigde van appellante deze grieven – mede met het oog op een reactie van de zijde van het Uwv – niet (ruimschoots) eerder had kunnen inbrengen.

3.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat hij, met overneming van de overwegingen in de aangevallen uitspraak, geen reden ziet om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare arbeidsmogelijk-heden heeft. Met name is niet gebleken dat appellante niet-zelfredzaam zou zijn; zo is er niet langer sprake van een marginale dagindeling. Psychiater Engels sluit een depressieve stoornis uit. Met name de psychosociale factoren zijn in de loop van de jaren op de voorgrond getreden. Appellante is om die reden terecht belastbaar geacht voor arbeid.

3.3. De Raad ziet met de rechtbank geen reden de FML onjuist te achten. Evenmin ziet de Raad aanleiding de eerst in hoger beroep nader gemotiveerde medische geschiktheid van appellante voor de geduide functies voor onjuist te achten. Om deze redenen ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te bevestigen.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ