Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9580

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
07-4652 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen medische gegevens in geding t gebracht die het standpunt onderbouwen dat appellant minder belastbaar is dan het Uwv heeft aangenomen. In voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat de belasting van de functies in overeenstemming zijn met de FML. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4652 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 juni 2007, 06/7370

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008. Voor appellant is mr. Van Es verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft in 1993 bij een val zijn rechterarm gebroken waardoor hij arbeidsongeschikt werd voor zijn werk als metaaldemonteur. In aansluiting op het einde van de wachttijd van 52 weken heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In de daarop volgende jaren heeft hij meerdere chirurgische ingrepen aan de rechterhand ondergaan. In het kader van een herbeoordeling is hij op 29 september 2005 onderzocht door een verzekeringsarts, die vaststelde dat er nog sprake is van een iets verstoorde fijne motoriek aan de rechterhand. De beperkingen die appellant daarvan ondervond bij het verrichten van arbeid werden omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 september 2005. Met inachtneming van die beperkingen heeft de arbeidsdeskundige uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellant nog kon verrichten. Daarmee kon appellant een zodanig loon verdienen dat zijn verlies aan verdiencapaciteit 0% bedroeg.

1.2. Bij besluit van 7 december 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 8 februari 2006 ingetrokken. Na een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige heroverweging heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de intrekking bij besluit van 24 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Appellant is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv van de juiste medische beperkingen is uitgegaan casu quo dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Hij had ten tijde in geding last van zijn armen, handen en vingers als gevolg van het bedrijfsongeval waarbij hij in 1993 zijn rechterarm had gebroken. Hij wijst op een door hem in de bezwaarfase overgelegde brief van zijn behandelend plastisch chirurg van 18 mei 2006. Daaruit blijkt dat nog altijd sprake was van onvoldoende verbetering van de functie van de vingers / rechterhand na een eerdere operatie. Volgens appellant hebben de verzekeringsartsen van het Uwv in onvoldoende mate rekening gehouden met de aard en ernst van zijn klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Met name de mogelijkheid tot het verrichten van pincetgreep en de knijp- en grijpkracht zijn overschat.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts heeft de functie van de rechterhand onderzocht en kennis genomen van de inlichtingen van de behandelend plastisch chirurg van 11 april 2005 en van de overige medische rapporten in het dossier. In een rapport van 28 september 2007 is de bezwaarverzekeringsarts ingegaan op de brief van de behandelend plastisch chirurg van 18 mei 2006. Deze bevat volgens de bezwaarverzekeringsarts geen nieuwe medische informatie. De pincetgreep is door de verzekeringsarts uitvoerbaar geacht. Met enige beperking van de grijp- en knijpkracht rechts, de sleutelgreep, fijnmotorische hand- en vingerbewegingen en schroefbewegingen met de hand is in de FML voldoende rekening gehouden. Er is geen sprake van beperkingen aan de linkerhand. De Raad stelt vast dat appellant geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die zijn standpunt onderbouwen dat hij minder belastbaar is dan het Uwv heeft aangenomen. De medische grondslag van het bestreden besluit is naar het oordeel van de Raad deugdelijk onderbouwd.

3.3. Uit de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundigen van 5 juli 2006, 1 mei 2007 en 10 oktober 2007 komt naar voren dat het Uwv nog drie van de geselecteerde functies voor appellant geschikt acht, namelijk machinebediende voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 271091), operator chemische en kunststofverwerkende industrie (sbc-code 271122, functienummer 3332-0002-090) en winkelhulpkracht (sbc-code 111210). Appellant is van mening dat met de uitoefening van deze functies zijn rechterhand te zwaar belast zou worden en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de functiebelasting in overeenstemming is met zijn belastbaarheid. De Raad is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundigen in hun rapporten, in samenhang bezien met de notities functiebelasting van 7 november 2005, in voldoende mate inzichtelijk hebben gemaakt dat de belasting van de functies in overeenstemming is met de FML. De gesignaleerde mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid zijn toereikend gemotiveerd. De Raad merkt daarbij nog op dat de specifieke bezwaren van appellant tegen de functie met sbc-code 271122 betrekking hebben op de deelfunctie met functienummer 3481-0275-006. De bezwaararbeidsdeskundige heeft deze echter in de bezwaarfase al laten vervallen.

3.4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en M.C.M. van Laar en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A. Badermann.

KR