Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2009
Datum publicatie
12-01-2009
Zaaknummer
07-3149 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. Juiste vaststelling medische beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3149 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2007, 06/637

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.F.C. van Megen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008.

Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het Uwv heeft, zoals tevoren schriftelijk is aangekondigd, zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als vleeswarenverkoopster en is in september 1998 uitgevallen met fysieke klachten van onder andere rechterarm, rug- en rechterbeenklachten. Nadien zijn daar ook psychische klachten bijgekomen.

1.2. Na afloop van de wettelijke wachttijd achtte de verzekeringsarts van het Uwv geen duurzaam benutbare mogelijkheden aanwezig en kreeg appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. In latere verzekeringsgeneeskundige onderzoeken in 2002 en 2003 hebben de verzekeringsartsen geconcludeerd dat bij appellante sprake was van geen duurzaam benutbare mogelijkheden vanwege het disfunctioneren op het persoonlijk en sociaal vlak.

1.4. Naar aanleiding van een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingbesluit heeft de verzekeringsarts op 12 april 2005 geoordeeld dat geen sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Vervolgens heeft de verzekeringsarts beperkingen ten aanzien van het normaal functioneren bij de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren in de (kritische) Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangenomen.

1.5. Met deze FML heeft de arbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd op grond waarvan bij besluit van 2 juni 2005 de WAO-uitkering met ingang van 3 augustus 2005 is ingetrokken, omdat volgens het Uwv op dat moment de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% bedroeg.

1.6. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 23 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ingestemd met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante ten tijde hier in geding. De arbeidskundige onderbouwing van de arbeidsongeschiktheidsschatting heeft de rechtbank afdoende geacht. Nu deze onderbouwing eerst in de beroepsfase is gegeven heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek vernietigd en de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft ingestemd met de belastbaarheid van appellante, zoals deze door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen is vastgesteld. Ten onrechte gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat appellante vanaf mei 2006 onder behandeling is bij het Riagg en dat zij medicijnen gebruikt. Voorts heeft appellante betwist dat de door de arbeidsdeskundige geduide functies uit medisch oogpunt voor haar geschikt zijn.

4.1. Evenals de rechtbank en met overneming van haar overwegingen in de aangevallen uitspraak heeft de Raad in de in dit geding beschikbare medische en andere gegevens geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische oordeel. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat van de zijde van appellante geen nieuwe medische gegevens in het geding zijn gebracht die aanwijzingen bevatten voor het oordeel dat appellante in objectief-medische zin op de hier in geding zijnde datum ernstiger beperkt is te achten dan de beperkingen die reeds door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv in aanmerking zijn genomen. Gelet op de onderzoeksbevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen ten tijde van datum in geding onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de omstandigheid dat appellante sedert mei 2006 onder behandeling is bij het Riagg.

4.2. Op grond van het bovenstaande moet worden vastgesteld dat appellantes medische beperkingen niet zijn onderschat. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de aan appellante voorgehouden functies voor haar in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn.

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2009.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

KR