Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BG9129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2009
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
07-3882 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om deskundigenoordeel ('second opinion') is geen besluit. Verzoek betrokkene aan het Uwv om een deskundigheidsoordeel te geven, is aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 30 lid aanhef en onder e van de Wet SUWI.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/84
ABkort 2009/58
USZ 2009/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3882 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 mei 2007, 07/217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 januari 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.C. Maduro, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met een daarvoor bestemd formulier heeft appellant op 28 september 2006 een aanvraag gedaan bij het Uwv om een zogeheten deskundigenoordeel, vanwege een verschil van mening met zijn werkgever over de volledige geschiktheid voor zijn eigen werk. Bij brief van 5 oktober 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen, onder de overweging dat geen sprake is van een geschil tussen appellant en zijn werkgever over de ongeschiktheid tot werken.

1.2. Het bezwaar van appellant tegen de brief van 5 oktober 2006 is door het Uwv bij besluit van 6 december 2006 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, op grond van de overweging dat de brief van 5 oktober 2006 niet als besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt – kort samengevat – dat de brief van 5 oktober 2006 wel als een besluit moet worden aangemerkt. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat zijn aanvraag om een deskundigenoordeel door het Uwv buiten behandeling is gesteld, zodat er ook gelet op artikel 4:5 van de Awb sprake is van een besluit. Verder heeft appellant aangevoerd dat in de aangevallen uitspraak ten onrechte wordt aangegeven dat hoger beroep moet worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ter zitting heeft appellant een verzoek om schadevergoeding gedaan, mede in verband met een door hem gestelde ontoelaatbare overschrijding van de redelijke termijn.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Het Uwv heeft gelet op artikel 30, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) – onder meer – tot taak op verzoek van een werkgever of een werknemer een onderzoek in te stellen naar en een oordeel te geven over het bestaan van ongeschiktheid tot werken, indien de werknemer een geschil heeft met zijn werkgever over recht op loon als bedoeld in artikel 629, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek van appellant van 28 september 2006 aan het Uwv om een deskundigenoordeel te geven, moet naar het oordeel van de Raad worden aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 30, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet SUWI.

4.2. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak overwogen dat een brief waarbij de uitkomst van een verzoek om een deskundigenoordeel – in die rechtspraak ook wel aangeduid met de term ‘second opinion’ – aan betrokkene wordt meegedeeld, niet op rechtsgevolg is gericht en dus geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In de door de rechtbank genoemde uitspraak van de Raad van 5 januari 2005 (LJN AS3619) is geoordeeld dat dit ook geldt voor een brief waarbij een verzoek tot het uitbrengen van een second opinion wordt afgewezen. De Raad heeft geen reden om daarover anders te oordelen in deze zaak. Met de rechtbank is de Raad daarom van oordeel dat de brief van 5 oktober 2006 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Voor zover appellant betoogt dat de brief van 5 oktober 2006 wel een besluit is, omdat daarbij zijn aanvraag buiten behandeling is gesteld, volgt de Raad appellant daarin niet. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb bepaalt dat onder een aanvraag wordt verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Zoals uit het voorgaande volgt, is geen sprake van een dergelijke aanvraag, omdat het verzoek van appellant niet kan worden aangemerkt als een verzoek om een besluit te nemen. De brief van 5 oktober 2006 houdt daarom geen toepassing in van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, en is daar ook naar zijn aard en bewoordingen niet op gericht.

4.3. Gelet op artikel 8:1 van de Awb, bezien in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, kan alleen tegen een besluit het rechtsmiddel van bezwaar worden ingesteld. Dat betekent dat bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4. In de aangevallen uitspraak wordt ten onrechte vermeld dat hoger beroep moet worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Raad ziet echter geen aanleiding de aangevallen uitspraak om deze reden te vernietigen, nu appellant niet is benadeeld door deze onjuiste vermelding.

4.5. Gezien het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb kan het Uwv alleen tot vergoeding van schade worden veroordeeld als het beroep gegrond is verklaard. Daarvan is geen sprake, zodat het verzoek om schadevergoeding al daarom moet worden afgewezen. De stelling van appellant dat de redelijke termijn is geschonden, vat de Raad op als een beroep op schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Raad stelt vast dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op

23 november 2006, de datum van ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant, en is geëindigd op de datum waarop deze uitspraak wordt gedaan. Gelet op dat tijdsverloop is geen sprake van schending van de redelijke termijn.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.

JL