Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BH5599

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2008
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
04/3611 ANW-E
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BJ1980, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ANW-uitkering toe te kennen. Op juiste wijze geïnformeerd over beëindiging verplichte verzekering. Geen aanleiding art. 26 lid 6, Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3611 ANW-E

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije) (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2004, 02/5122 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 3 januari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft M. Sevim, (destijds) werkzaam bij het Consulaat Generaal van de republiek Turkije te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 21 februari 2007 heeft de Svb een vraag van de Raad beantwoord. Tevens heeft de Svb toen nog een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007. Namens appellante is daarbij verschenen M. Sevim, voornoemd, bijgestaan door mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

De Raad heeft vervolgens het onderzoek in deze procedure heropend en heeft aan de Svb een vraag gesteld, welke bij brief van 5 september 2007 is beantwoord. De Svb heeft vervolgens bij brief van 26 september 2007 zijn standpunt nader toegelicht. Ten slotte is namens appellante bij brief van 11 oktober 2007 gereageerd op de brieven van de Svb.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 22 november 2007. Namens appellante is daarbij verschenen M. Sevim en mr. Türkkol, voornoemd. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.

II OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellante is in 1975 gehuwd met [naam echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]), geboren [in] 1948. [echtgenoot] is in Nederland werkzaam geweest en is nadat aan hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) was toegekend in of omstreeks 1982 teruggekeerd naar Turkije. Tot 1 januari 2000 is [echtgenoot] verzekerd gebleven ingevolge de volksverzekeringen op grond van de toen geldende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen. Op 8 juni 2001 is [echtgenoot] in Turkije overleden.

Appellante heeft in juli 2001 aan de Svb verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan haar toe te kennen. Bij besluit van 14 september 2001 heeft de Svb afwijzend op deze aanvraag beslist, omdat [echtgenoot] op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW, dan wel de Turkse sociale verzekeringswetgeving. Bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat onvoldoende informatie is verstrekt over de beëindiging van de verplichte verzekering van [echtgenoot] met ingang van 1 januari 2000. Daarbij is in de loop van het hoger beroep nader aangevoerd dat de brief welke door het uitvoeringsorgaan GUO kennelijk in december 1999 aan [echtgenoot] is gezonden over het einde van de verplichte verzekering, ten onrechte niet met toepassing van artikel 33 van het Administratief Akkoord (AA) bij het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije (NTV) via het SSK is bekend gemaakt aan [echtgenoot]. Voorts is aangevoerd dat de weigering van de ANW-uitkering in strijd is met de verplichtingen die voortvloeien uit diverse internationale verdragen en supranationale regelingen, zoals het NTV, het Europees Verdrag inzake Sociale Zekerheid (Trb. 1976, 158, hierna: EVSZ), het Europees Verdrag inzake de Rechtspositie van Migrerende Werknemers (Trb. 1978, 70, hierna: EVRMW), de Europese Code inzake Sociale Zekerheid (Trb. 1965, 4, hierna: Europese Code), de ILO-conventies 102 en 118 en Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Tevens acht appellante de beëindiging van de verplichte verzekering van [echtgenoot] in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154; 1990, 156, hierna: EVRM) en met artikel 14 van het EVRM.

De Svb heeft in hoger beroep medegedeeld dat een besluit is genomen waarbij geweigerd is [echtgenoot] postuum toe te laten tot de vrijwillige verzekering krachtens de ANW vanaf 1 januari 2000. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dat besluit.

De Raad overweegt het volgende.

Allereerst dient de Raad de stelling van appellante te bespreken, inhoudende dat het in december 1999 aan [echtgenoot] verzonden besluit over de beëindiging van zijn verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen niet op de in artikel 33 van het AA bij het NTV voorgeschreven wijze aan hem is bekend gemaakt. Dit artikel luidt als volgt:

“Het behandelend orgaan stelt de aanvrager in kennis van alle beslissingen met betrekking tot de toekenning van uitkeringen, berekend met toepassing van artikel 23 van het Verdrag, alsmede van de in elk der toegepaste wettelijke regelingen bepaalde rechtsmiddelen en termijnen voor het instellen van beroep. Bovendien zendt het genoemde orgaan een afschrift van deze kennisgeving aan het bevoegde orgaan van het andere land, onder opgave van de datum waarop deze kennisgeving aan de aanvrager is gezonden.”

De Raad is van oordeel dat de in december 1999 door het GUO aan [echtgenoot] verzonden brief over de beëindiging van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen per 1 januari 2000, zelfs als die brief aangemerkt zou worden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet een beslissing is met betrekking tot de toekenning van een uitkering als bedoeld in artikel 33 van het AA. Het feit dat de Svb blijkens de uitspraak van de Raad van 19 januari 2007 (LJN: AZ6759) inmiddels van mening is dat artikel 33 van het AA betrekking heeft op de bekendmaking van alle besluiten waarin rechtsmiddelen en termijnen zijn opgenomen aan belanghebbenden in Turkije, vermag de Raad niet tot een ander oordeel te brengen. Daarbij wijst de Raad erop dat de Svb in deze procedure heeft aangegeven dat voornoemde brief niet valt onder deze omschrijving, omdat een brief over de beëindiging van de verzekeringsplicht niet aangemerkt kan worden als een beslissing die betrekking heeft op de toekenning of weigering van een uitkering. Dit betekent dat het GUO niet heeft gehandeld in strijd met artikel 33 van het AA en dat niet gezegd kan worden dat [echtgenoot] in 1999 niet via het daartoe geëigende kanaal is geïnformeerd.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [echtgenoot] op het moment van zijn overlijden niet verplicht of vrijwillig verzekerd was ingevolge de ANW of ingevolge de Turkse wettelijke regelingen. Ter beantwoording ligt daarom thans voor de vraag of artikel 26, zesde lid van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746), waarbij is bepaald dat artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000 komt te vervallen, wegens strijd met een direct werkende bepaling van een internationaal verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, dan wel wegens strijd met het vertrouwensbeginsel, buiten toepassing moet worden gelaten.

Met betrekking tot het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 9 december 2005 (LJN: AU8520) en 6 april 2007 (LJN: BA2500). In deze uitspraken heeft de Raad overwogen dat personen van wie de verplichte ANW-verzekering is geëindigd, in de gelegenheid zijn gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren tegen een premie die wordt berekend naar het daadwerkelijk genoten inkomen. Voorzover de verzekering ingevolge de ANW reeds kan worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, is voor het ontnemen hiervan op deze wijze een alleszins toereikende compensatie geboden, terwijl ook overigens is voldaan aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol gestelde voorwaarden. Van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol is dan ook geen sprake.

Ook van strijd met uit internationale verdragen of uit het associatierecht voortvloeiende discriminatieverboden welke op [echtgenoot] van toepassing waren, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 8 van het EVSZ, artikel 18, eerste lid, van het EVRMW en artikel 9 van de Overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, Trb. 1963/184 (de Associatieovereenkomst), is naar het oordeel van de Raad geen sprake. In dit verband verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 24 december 2003, RSV 2004, 159, waarin hij heeft overwogen dat het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren, als een gerechtvaardigd doel kan worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht van personen die een Nederlandse langlopende uitkering ontvangen, is geschikt en proportioneel. Verder verwijst de Raad naar de hiervoor genoemde uitspraak van 6 april 2007. In die uitspraak is – kort samengevat – overwogen dat de beëindiging van de verzekeringsplicht met ingang van 1 januari 2000 van een met [echtgenoot] vergelijkbaar persoon, onder analoge toepassing van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 juli 2005, nr. C-227/03, Van Pommeren-Bourgondiën, niet in strijd kan worden geacht met (het Aanvullend Protocol bij) de Associatieovereenkomst, dan wel met Besluit 3/80 van de Associatieraad EG/Turkije. Het feit dat de Raad op 1 november 2007 (LJN: BB7475), onder meer, een vraag heeft voorgelegd aan het Hof van Justitie EG over de betekenis van artikel 9 van de Associatieovereenkomst ten aanzien van een indirect onderscheid naar nationaliteit tussen in Turkije wonende Turkse onderdanen enerzijds en binnen de Europese Unie verblijvende personen anderzijds, maakt dit niet anders. Daarbij wijst de Raad erop dat in de zaken waar deze vraagstelling betrekking op heeft sprake is van een geheel andere situatie, namelijk de beperking van de export van een eerder toegekende toeslag op een uitkering, dan in deze procedure.

Wat betreft het beroep van appellante op diverse andere internationale verdragen en supranationale regelingen verwijst de Raad allereerst naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Met die overwegingen kan de Raad zich geheel verenigen. Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Ook de Raad heeft in die verdragen geen rechtstreeks werkende bepalingen aangetroffen, op grond waarvan de beëindiging van de verplichte verzekering krachtens de volksverzekeringen, voor personen als [echtgenoot] buiten toepassing moet worden gelaten.

Verder verwerpt de Raad het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel. Daarbij wijst de Raad er allereerst op dat niet is gebleken dat [echtgenoot] niet op de hoogte is gesteld van het einde van zijn verplichte verzekering per 1 januari 2000 en daarbij niet op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid van vrijwillige verzekering. Voorts kan uit de namens appellante overgelegde gegevens met betrekking tot de inhoudingen op de WAO-uitkering van [echtgenoot] in 2000 niet afgeleid worden dat toen premie voor de ANW-verzekering is betaald. Evenmin kan op grond van die gegevens geconcludeerd worden dat sprake is van een situatie waarin bij [echtgenoot] het vertrouwen is gewekt dat hij vanaf

1 januari 2000 verzekerd is gebleven krachtens, onder meer, de ANW.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2008.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) A.C. Palmboom.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IJ