Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BH0516

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
26-01-2009
Zaaknummer
07-4285 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstand met ingang van de datum van toekenning voor de duur van twee maanden geheel geweigerd, aangezien appellant bij verantwoorde intering op zijn erfenis langer uit de bijstand kunnen blijven. Vaststelling van het vermogen.

Depositorekening niet uitsluitend opneembaar voor begrafenis kosten. Berekening periode van verantwoorde intering juist. Verwijtbaarheid. Maatregel onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4285 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 juni 2007, 06/4282 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna College)

Datum uitspraak: 30 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M.S. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaards, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 1988 een bijstandsuitkering. Nadat was gebleken dat appellant een erfenis van ruim € 18.000,-- had ontvangen, is de bijstand met ingang van 22 april 2005 beëindigd op de grond dat appellant beschikt over middelen boven de grens van het vrij te laten vermogen.

1.2. Naar aanleiding van een aanvraag van appellant, heeft het College bij besluit van 2 december 2005 aan appellant met ingang van 20 oktober 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend. Daarbij is het vermogen van appellant vastgesteld op € 4.904,10. Voorts heeft het College bij dit besluit de bijstand met ingang van de datum van toekenning voor de duur van twee maanden geheel geweigerd. Aan deze weigering ligt ten grondslag dat appellant te snel heeft ingeteerd op zijn vermogen, waardoor hij vier maanden eerder (na zeven maanden) dan bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest (na elf maanden), opnieuw een beroep moest doen op bijstand. Uit de ambtelijke rapportage die is opgesteld ter voorbereiding van dit besluit blijkt dat bij de vaststelling van het vermogen rekening is gehouden met een deposito van appellant bij de [naam bank] van € 3.486,80, dat bij de berekening van de interingsperiode geen rekening is gehouden met een door appellant opgevoerde schuld van € 4.500,-- aan zijn zus, en dat evenmin rekening is gehouden met de kosten van aanschaf van een tweepersoonsbed (€ 4.500,--), waarvoor volgens het College geen medische noodzaak bestond.

1.3. Bij besluit van 23 maart 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2005 ongegrond verklaard. Het College heeft zijn oordeel wel bijgesteld in die zin dat in dit besluit is overwogen dat aan appellant niet kan worden verweten dat de medische noodzaak van de aanschaf van een ander bed niet is komen vast te staan, en dat bij de berekening van de interingsperiode alsnog de kosten van een eenpersoonsbed tot een bedrag van € 2.250,-- in aanmerking zijn genomen. Als gevolg daarvan had appellant volgens het College bij verantwoorde intering niet elf maar 9,26 maanden uit de bijstand kunnen blijven. Dit heeft het College evenwel niet gebracht tot het opleggen van een andere maatregel.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 maart 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt met betrekking tot de vaststelling van het vermogen het volgende.

4.1. Appellant stelt zich op het standpunt dat het door hem op de [naam bank] depositorekening gestorte bedrag moet worden beschouwd als een voorziening voor begrafeniskosten. Evenals de rechtbank volgt de Raad appellant daarin niet. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat het hier gaat om een bedrag dat is vastgezet of is ondergebracht in een verzekeringspolis en uitsluitend voor het hiervoor omschreven doel kan worden aangewend. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat appellant over dit vermogensbestanddeel beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het College heeft het op deze bankrekening staande bedrag derhalve in het kader van de toekenning van de bijstand terecht meegerekend bij de bepaling van het vermogen van appellant. Dat, zoals appellant nog heeft aangevoerd, hij bij voortijdige opname van het bedrag van het deposito schade lijdt, komt onder de gegeven omstandigheden voor zijn rekening en risico.

4.2. Appellant heeft zich in dit verband nog beroepen op het door een ambtenaar van de sociale dienst opgewekte vertrouwen dat het bedrag van de depositorekening ongemoeid zou worden gelaten bij de bepaling van zijn vermogen. Voor dit standpunt van appellant bieden de gedingstukken echter onvoldoende feitelijke grondslag. Uit de gedingstukken blijkt weliswaar dat over een reservering voor begrafeniskosten is gesproken, maar daarbij is appellant aangeraden voor de bestrijding van die kosten - bijvoorbeeld - een polis af te kopen. Voor het ter zitting van de Raad van de kant van het College ingenomen standpunt dat moet worden aangenomen - mede gelet op de ter zake gehanteerde gedragslijn in de gemeente ’s-Gravenhage - dat uitsluitend in die zin over een voorziening voor die kosten is gesproken, kan voorts een aanknopingspunt worden gevonden in het gegeven dat appellant een offerte heeft aangevraagd voor een uitvaartverzekering in de vorm van een koopsom.

4.3. Wat betreft de vaststelling van het vermogen slaagt het hoger beroep derhalve niet.

5. Met betrekking tot de weigering van de bijstand over twee maanden komt de Raad tot de volgende beoordeling.

5.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College bij het berekenen van de interingsperiode terecht geen rekening heeft gehouden met de door appellant opgevoerde bedrag van € 4.500,-- dat aan zijn zus diende te worden terugbetaald, waarbij de rechtbank dit bedrag niet heeft beschouwd als een schuld maar als een voorschot op de erfenis. In hetgeen in hoger beroep is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel. De Raad tekent hierbij nog aan dat appellant de desbetreffende bedragen van (drie keer) € 1.500,-- heeft ontvangen in 2003, 2004 en (begin) 2005, zijnde de periode waarin appellant bijstand ontving van het College, en dat het College die bedragen toen (ook) niet als beschikbare middelen bij de beoordeling van het recht op bijstand heeft betrokken.

5.2. Het College heeft, na bezwaar, alsnog de kosten van een eenpersoonsbed in aanmerking genomen bij de berekening van de periode van (verantwoorde) intering.

Mede uit een oogpunt van doelmatige verlening van bijstand acht de Raad het, nu appellant alleenstaande is, niet onredelijk of anderszins onjuist. Dat sprake was van vervanging van het tweepersoonsbed van appellant maakt dat niet anders.

5.3. Niet is gebleken dat de in het besluit van 23 maart 2006 opgenomen berekening van de periode van (verantwoorde) intering onjuist is. Gelet daarop en gelet op hetgeen 5.1 en 5.2 is overwogen, betekent dit dat het College terecht heeft vastgesteld dat appellant te snel op zijn vermogen heeft ingeteerd, als gevolg waarvan hij eerder dan bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest een beroep op bijstand moest doen.

5.4. Het College heeft deze gedraging terecht gekwalificeerd als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente ’s-Gravenhage (verordening). Artikel 11, eerste lid, van de verordening bepaalt voorts dat in een dergelijk geval afhankelijk van de omstandigheden een maatregel wordt opgelegd van maximaal de vierde categorie. Ingevolge artikel 13 van de verordening - voor zover hier van belang - betekent het opleggen van een maatregel van de vierde categorie een verlaging van de bijstand met honderd procent voor de duur van twee maanden.

5.5. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat bij appellant iedere vorm van verwijtbaarheid voor de in 5.3 omschreven en in 5.4 gekwalificeerde gedraging ontbreekt. Dat brengt mee dat het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB, in verbinding met de artikelen 3, eerste lid, en 11 van de verordening gehouden was een maatregel op te leggen.

5.6. Bij het opleggen van de in geding zijnde maatregel is het College gebleven binnen de in artikel 11, eerste lid, van de verordening neergelegde grens. Het College heeft daarbij gekozen voor het maximum binnen de in die bepaling bedoelde categorie. Uit de bewoordingen van deze bepaling moet evenwel worden afgeleid dat de zwaarte van de maatregel afhankelijk is van de omstandigheden. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan de lengte van de termijn waarover te snel is ingeteerd. Zoals ter zitting van de kant van het College is erkend, is aan dit punt noch in het besluit van 2 december 2005 noch in het besluit van 23 maart 2006 aandacht besteed in die zin dat is gemotiveerd waarom de omstandigheden van dit geval het opleggen van de maximaal mogelijke maatregel met zich diende te brengen. De Raad merkt verder op dat het College in het besluit van 23 maart 2006 een verminderde verwijtbaarheid van appellant aanwezig heeft geacht en vervolgens heeft berekend dat appellant niet vier maanden maar (ruim) twee maanden eerder dan bij een verantwoorde intering het geval was geweest een beroep op de bijstand heeft moeten doen. De Raad is van oordeel dat het College in ieder geval in die omstandigheid aanleiding had moeten zien voor een nadere motivering voor het - niettemin - handhaven van de opgelegde maatregel. De Raad komt tot de conclusie dat het besluit van 23 maart 2006 in zoverre niet voldoet aan het vereiste van een deugdelijke motivering.

5.7. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 23 maart 2006 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zij het uitsluitend voor zover het betreft de weigering van de bijstand voor de duur van twee maanden. Voorts zal de Raad het College opdragen in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5.8. Met het oog op het te nemen nadere besluit op bezwaar overweegt de Raad, mede ten behoeve van een definitieve beëindiging van dit geschil, dat hij, gelet op omstandigheden van deze zaak, waaronder begrepen de lengte van de termijn waarover appellant te snel heeft ingeteerd, en de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten, ten minste een halvering van de zwaarte van de opgelegde maatregel (dat wil zeggen een weigering van de bijstand voor de duur van 1 maand of een verlaging van de bijstand met 50% voor 2 maanden) op zijn plaats zou vinden. De Raad is daarbij van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden geen dringende redenen opleveren, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de verordening gelezen in samenhang met de toelichting daarop, om van het opleggen van een maatregel geheel af te zien.

5.9. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2006 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betreft de weigering van de bijstand over twee maanden;

Draagt het College op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en C. van Viegen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 december 2008.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M. Pijper.

OA