Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BH0415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
07-3951 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijstandsverlening met terugwerkende kracht. Inschatting goede afloop ZW-procedure is voor risico en rekening van appellant. Het maken van schulden ter overbrugging van een periode is evenmin een toereikende grond om af te wijken van de hoofdregel. Artikel 13 ESH kan niet worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Passage inzake de vermogensruimte is een mededeling van informatieve aard. Uitleg aan partijen over "vermogensgrens".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 44
RSV 2009/76
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3951 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 juli 2007, 07/1164 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College).

Datum uitspraak: 23 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Balkema. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door D. de Feijter en mr. M.A. de Ronde, beiden werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft zich op 10 oktober 2006 bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij heeft daarbij verzocht de ingangsdatum van de bijstand vast te stellen op 15 februari 2006, omdat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) zijn uitkering ingevolge de Ziektewet met ingang van die datum heeft beëindigd.

1.2. Bij besluit van 23 november 2006 heeft het College appellant met ingang van 10 oktober 2006 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10%. Daarbij is tevens meegedeeld dat de vermogensruimte bij aanvang van de bijstandsverlening is vastgesteld op € 5.180,--.

1.3. Bij besluit van 19 februari 2007 is het tegen het besluit van 23 november 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van 19 februari 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daartoe is - samengevat - aangevoerd, dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen, dat het College zich in strijd met artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) onvoldoende heeft verdiept in de nijpende (schulden)situatie van appellant en dat de door het College in het besluit van 23 november 2006 opgenomen passage omtrent de vermogensruimte op rechtsgevolg is gericht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat in dit geval niet is gebleken van zodanige, bijzondere omstandigheden dat het College tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht had dienen over te gaan. De Raad voegt daaraan nog toe dat appellant er, blijkens het verhandelde ter zitting, aanvankelijk kennelijk bewust van heeft afgezien bijstand aan te vragen omdat hij vertrouwen had - en is blijven houden - in een goede afloop van de ZW-procedure. Deze inschatting dient voor risico en rekening van appellant te worden gelaten. Voorts is ook de Raad niet kunnen blijken dat appellant in de periode voorafgaande aan de aanvraag (permanent) buiten staat is geweest tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen. Medische gegevens die een dergelijke stelling zouden kunnen onderbouwen zijn ook in hoger beroep niet overgelegd. Overigens staat vast dat appellant in die periode wel veelvuldig contact heeft gehad met het Uwv en daarmee heeft gecorrespondeerd. In de omstandigheid dat appellant naar zijn stelling schulden heeft moeten maken om de periode tot 10 oktober 2006 te overbruggen, ziet de Raad evenmin een toereikende grond om af te wijken van bovenvermelde hoofdregel.

4.3. Het in dit verband gedane beroep op artikel 13 van het ESH treft geen doel. De Raad heeft al vaker overwogen (zie onder meer de uitspraak van 11 oktober 2007, LJN BB5687) dat deze bepaling niet kan worden aangemerkt als een ieder verbindende bepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking van bedoelde bepaling is daarin veeleer sprake van een algemeen geformuleerde sociale doelstelling tot het nastreven en verwezenlijken waarvan de verdragsstaten zich in hun regelgeving hebben verbonden, dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop de burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. In ieder geval is deze bepaling onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen concluderen tot een aanspraak op bijstand in een geval als het onderhavige.

4.4. Ten aanzien van de in het besluit van 23 november 2006 opgenomen passage inzake de vermogensruimte heeft de gemachtigde van het College ter zitting desgevraagd meegedeeld dat daarmee - slechts - is beoogd aan te geven wat de voor appellant ten tijde in geding toepasselijke vermogensgrens was. De Raad heeft al eerder uitgesproken (zie onder meer de uitspraak van 8 juli 2008, LJN BD6943) dat een dergelijke mededeling moet worden opgevat als een mededeling van informatieve aard welke niet is gericht op rechtsgevolg.

4.5. Naar aanleiding van de stukken, het verhandelde ter zitting en ter voorlichting aan partijen wijst de Raad, voor dit geding ten overvloede, nog op het volgende. Uitgangspunt is dat tijdens een ononderbroken periode van bijstandsverlening slechts éénmaal een bedrag ter hoogte van maximaal de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid, van de WWB wordt vrijgelaten. Dit vloeit mede voort uit het complementaire karakter van de WWB. Het door partijen gehanteerde begrip “vermogensruimte” (te weten: het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand) valt bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen derhalve samen met het wettelijk begrip vermogensgrens. Bij een aanvangsvermogen boven nihil maar beneden de vermogensgrens is de vermogensruimte in bovenbedoelde zin te stellen op het verschil tussen de vermogensgrens en het bij aanvang van de bijstandsverlening vastgestelde positieve vermogen. Worden tijdens de bijstandsverlening middelen ontvangen die (bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen) de vermogensgrens te boven gaan dan staat dat meerdere (te weten: het surplus boven de vermogensgrens) aan voortzetting van de bijstand in de weg. Hetzelfde geldt indien middelen worden ontvangen die (bij een positief aanvangsvermogen beneden de vermogensgrens) het nog resterende vrij te laten bedrag van het vermogen te boven gaan.

4.6. Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.

4.7. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 december 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.R. Sharma.

IJ