Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG9721

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2008
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
07-696 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering AAW- en WAJONG-uitkering. Appellante was al bij binnenkomst in Nederland volledig arbeidsongeschikt. Niet relevant of haar beperkingen als gevolg van de operatie al of niet zijn toegenomen. Een nader onderzoek naar eventuele toename van de klachten is ook niet van belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/696 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2006, 06/1448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 31 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 21 november 2008. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Appellante heeft op 17 juli 2002 een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering gedaan, waarbij zij heeft aangegeven dat zij altijd volledig arbeidsongeschikt is geweest. Bij uitspraak van 2 juli 2004, 03/1902, heeft de rechtbank Rotterdam het Uwv opgedragen opnieuw te beslissen. Op 27 februari 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante andermaal ongegrond verklaard. Het Uwv heeft besloten de aanvraag van appellante af te wijzen, zowel op grond van de bepalingen van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) als van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG).

1.3. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante in de visie van het Uwv op het moment dat zij vanuit Marokko Nederland binnenkwam, 28 mei 1990, volledig arbeidsongeschikt was als gevolg van het feit dat zij op zeer jonge leeftijd polio heeft gehad, waaraan zij onder meer ernstige beperkingen van haar linkerbeen en bekken heeft overgehouden. Weliswaar was er noch op 19 september 2002, noch op 10 februari 2005 ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsartsen sprake van het volledig ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden, maar op basis van de voor appellante geformuleerde arbeidsbeperkingen kon slechts één geschikte functie voor haar worden gevonden. Op arbeidskundige gronden werd zij daarom volledig arbeidsongeschikt geacht, welke situatie in de visie van de verzekeringsartsen ook al bestond op

28 mei 1990.

2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen, voor zover van belang voor het geding in hoger beroep, dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat appellante al bij binnenkomst in Nederland geheel arbeidsongeschikt was. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het Uwv op grond van het bepaalde in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de AAW en artikel 10, eerste lid, onder a, van de WAJONG, de aanspraken van appellante op een arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking kon laten. De beslissing van het Uwv om de aanspraken van appellante geheel en blijvend buiten aanmerking te laten kan naar het oordeel van de rechtbank de daarbij te hanteren toets doorstaan.

3. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat zij op 28 mei 1990, bij binnenkomst in Nederland, reeds volledig arbeidsongeschikt was. Zij heeft aangevoerd dat zij vanaf 1 mei 1999 acht maanden bij de Vereniging sportbelang te Utrecht heeft gewerkt en dat zij deze werkzaamheden niet om medische redenen heeft beëindigd. Appellante heeft vervolgonderwijs in Marokko genoten en dat afgesloten met een diploma, wat in de visie van appellante evenmin duidt op volledige arbeidsongeschiktheid. Zij wijst op de rapportage algemeen van

3 oktober 2002 van de arbeidskundige As, die daarin heeft genoteerd dat zij geschikt kan worden geacht tot het verrichten van gangbare, algemeen geaccepteerde arbeid en op het verhandelde ter zitting bij de rechtbank, ter gelegenheid waarvan door de gemachtigde van het Uwv is aangegeven dat eigenlijk nog vervolgonderzoek zou moeten volgen naar een eventuele toename van de klachten van appellante in Nederland. Tot slot stelt appellante dat haar klachten zijn toegenomen na haar operatie in juli 2000.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In dit geding dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht de conclusie van het Uwv heeft gevolgd, dat appellante al bij binnenkomst in Nederland op 28 mei 1990 volledig arbeidsongeschikt was. Daarbij is van belang dat het arbeidsongeschiktheidsbegrip een medische en een arbeidskundige component heeft. Ook als geen sprake is van de situatie dat een betrokkene op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is, kan toch sprake zijn van een situatie van gehele arbeidsongeschiktheid. Daarvan is sprake indien de betrokkene, rekening houdend met haar op basis van de medische gegevens vastgestelde arbeidsbeperkingen, geen relevante verdiencapaciteit bezit, omdat er onvoldoende algemeen geaccepteerde arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar is die de verzekerde met haar beperkingen kan verrichten.

4.2. In het geval van appellante hebben de verzekeringsartsen op grond van hun eigen onderzoek, van informatie van artsen die appellante hebben behandeld en van informatie die zij heeft verstrekt, beperkingen voor appellante geformuleerd die het gevolg zijn van de polio waaraan zij op zeer jonge leeftijd leed. Op zich is appellante in staat geacht, zoals ook door de arbeidskundige As in zijn rapportage is vermeld, om werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft echter dusdanige beperkingen, dat de arbeidskundigen niet in staat zijn om met behulp van het zogenoemde CBBS-systeem voor haar voldoende functies te vinden die qua belasting voldoen aan haar beperkingen. Om die reden is bij appellante sprake van gehele arbeidsongeschiktheid. Daarbij hebben de verzekeringsartsen het standpunt ingenomen dat appellante deze beperkingen ook reeds had toen zij op 28 mei 1990 naar Nederland kwam, waaruit volgt dat zij daarom op dat moment al geheel arbeidsongeschikt was.

4.3. De Raad heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om dit oordeel van het Uwv niet juist te achten. Daarbij heeft de Raad betrokken dat appellante zelf bij haar aanvraag heeft benadrukt dat zij altijd arbeidsongeschikt is geweest, wat zij heeft herhaald tijdens het spreekuur op 19 september 2002 bij de verzekeringsarts Ramautar. In een gesprek met de arbeidskundige As op 3 oktober 2002 heeft appellante aangegeven dat zij zich bij de administratieve werkzaamheden, die zij in 1998 (lees: 1999) heeft verricht, wekelijks een aantal uren heeft ingespannen, maar dat zij achteraf bezien in die periode nauwelijks een prestatie heeft geleverd. Gelet hierop en nu appellante zich destijds ook niet heeft ziekgemeld, bestond er naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanleiding om bij de beoordeling achteraf nog nader onderzoek te doen naar de arbeidsprestatie van appellante in 1999. Het gegeven dat appellante in Marokko een schooldiploma heeft gehaald, betekent voorts niet dat zij niet geheel arbeidsongeschikt is in de zin van de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetgeving, nu dat niet afdoet aan haar fysieke arbeidsbeperkingen.

4.4. Nu appellante terecht door het Uwv bij binnenkomst in Nederland in 1990 volledig arbeidsongeschikt is geacht, is niet relevant of haar beperkingen als gevolg van de operatie in 2000 al of niet zijn toegenomen. Een nader onderzoek naar eventuele toename van de klachten van appellante is daarom ook niet van belang.

5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter, en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2008.

(get.) R.C. Stam.

(get.) A.C.A. Wit.

JL