Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG9663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
15-01-2009
Zaaknummer
07-3906 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuwe aanvraag bijstandsuitkering na eerdere intrekking wegens gezamenlijke huishouding. Geen gewijzigde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3906 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 mei 2007, 06/4636 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna:

Datum uitspraak: 23 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 november 2008. Partijen zijn daar niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) tot 1 maart 2004.

1.2. De bijstand van appellante is bij besluit van 26 april 2004 met ingang van 1 maart 1992 ingetrokken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam partner] (hierna: [naam partner]), zonder daarvan aan het College melding te maken, en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 29 februari 2004 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 81.179,33 zijn van appellante teruggevorderd. Bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 8 november 2004 ongegrond verklaard. Beroep tegen dit besluit en hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 januari 2006, 04/5256, hebben geen wijziging gebracht in het besluit van 26 april 2004, zodat dit besluit rechtens verbindend is geworden.

1.3. Op 12 september 2005 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 18 november 2005 heeft het College afwijzend op deze aanvraag beslist op de grond dat appellante nog steeds een gezamenlijke huishouding met [naam partner] voert, die bovendien een inkomen heeft dat hoger is dan de voor appellante geldende bijstandsnorm.

1.4. Het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2005 is door het College bij besluit van 25 april 2006 ongegrond verklaard. Hierbij is verwezen naar de resultaten van een onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van appellante dat heeft plaatsgevonden door aflegging van een huisbezoek op 7 oktober 2005, waaruit zowel uit de aangetroffen feiten alsook uit de verklaringen van appellante is gebleken dat appellante nog steeds met [naam partner] samenwoont. Bovendien is gebleken dat appellante over voldoende middelen beschikt, zodat zij niet in bijstandbehoeftige omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 april 2006 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het College terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de intrekking van de bijstand per 1 maart 2004. Bovendien oordeelde de rechtbank dat appellante niet in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad, de Raad verwijst hier bij wijze van voorbeeld op zijn uitspraak van 2 december 2003, JWWB 2004,47, ligt het op de weg van appellante om, indien op een eerdere aanvraag afwijzend is beslist, dan wel een lopende uitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een volgende soortgelijke aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. De resultaten van het bij appellante afgelegde huisbezoek laten deze vereiste wijziging in de omstandigheden naar het oordeel van de Raad niet zien. [naam partner] was ten tijde van het huisbezoek bij appellante in de woning aanwezig en er werd veel kleding van hem aangetroffen. Bovendien heeft appellante zelf verklaard dat er in feite ten opzichte van de situatie die geleid heeft tot het eerdere intrekkingsbesluit van 26 april 2004 niets veranderd is. Dit betekent dat het College reeds op deze grond de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.

4.2. Uit overweging 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 december 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) M. Pijper.

IJ